Inleiding
We leven in een merkwaardig tijdperk. De Westerse wereld belijdt intergenerationele zorg voor de mensheid als morele plicht. ‘Duurzaamheid’, ‘klimaatrechtvaardigheid’, ‘zorg voor toekomstige generaties’ — het zijn de slogans van onze tijd.
De noodzaak om de toekomst van de mensheid zeker te stellen wordt met verve bepleit.
Tegelijkertijd wordt het individuele mensenleven — hier en nu, kwetsbaar en concreet — steeds makkelijker weggestreept. Aan het begin van het leven én aan het einde ervan.
De abortusgrens wordt verruimd, euthanasie genormaliseerd, vroeggeborenen worden soms hun kans op leven ontzegd. Hoe kan dat samengaan?
Hoe kan een cultuur die zegt te leven voor de toekomst van de mensheid zo schijnbaar onverschillig worden jegens de concrete mens hier en nu?
Het antwoord ligt, denk ik, in een woord: autonomie. Preciezer: in de verafgoding van autonomie.
Wat we zullen zien is dat de abstracte zorg voor de mensheid resulteert in concrete en vernietigende onverschilligheid voor de mens met een gezicht en een naam. Het stikstofdiscours is daarvan een dieptriest en zeer concreet voorbeeld.
De belofte van autonomie
Autonomie — zelfbeschikking, zelfregie, het recht om je eigen leven in te richten — is het onbetwiste hoogste goed van de moderne Westerse wereld. En laten we eerlijk zijn: autonomie is geen onzinnig begrip. Integendeel!
De mogelijkheid om vrij te denken, te geloven, te spreken, je eigen leven vorm te geven — het zijn kostbare verworvenheden die niemand zou willen opgeven.
Maar ergens, in de loop van de afgelopen eeuwen, is autonomie veranderd van een aspect van het menselijk bestaan in het (alles)bepalende hoogste goed. Het is de essentie van het mens-zijn geworden.
Het resultaat is een cultuur waarin het individu als soeverein beginpunt geldt: mijn leven, mijn keuzes, mijn lichaam, mijn sterven. Tussenkomst van buitenaf — van gemeenschap, traditie, geloof, zelfs van de werkelijkheid (lees mijn boek Vertrouwd met de werkelijkheid) — is in principe een inbreuk op ‘mijn autonomie’.
Dat klinkt bevrijdend.
Maar het probleem met een afgod — want dat is autonomie geworden — is niet dat deze niets goeds zou bieden op de korte termijn. Het probleem is dat het aanbiddingswaardige aan iets wordt toegekend dat die aanbidding niet toebehoord.
Autonomie als leidend beginsel voor het menselijk bestaan bezwijkt onder het eigen gewicht, met grote maatschappelijke gevolgen. Dat moeten we onder ogen zien.
De schaduwzijde: eenzaamheid en zinloosheid
Want de vruchten van radicale autonomie zijn inmiddels goed zichtbaar — en ze zijn bitter.
De eenzaamheidsepidemie in Westerse samenlevingen is geen toevalligheid. Het is het logische gevolg van een cultuur die het individu tot eiland heeft verklaard.
Als mijn autonomie het hoogste goed is, dan is elke relatie per definitie voorwaardelijk: nuttig zolang ze mijn zelfbeschikking bevestigt, ongewenst zodra ze die beperkt.
Relaties worden ‘contracten’. Huwelijken worden samenwerkingsverbanden. Kinderen worden projecten. Zoals Samme Kors in Trouw schrijft over zijn positie als donorkind:
“Wanneer er in mijn kringen over donorconceptie wordt gesproken, gaat het over behoeftes van wensouders, biologische klokken en brandende kinderwensen, en hoe mooi het is dat iedereen die tegenwoordig waar kan maken. Over het kind geen woord, terwijl dat ertoe veroordeeld is om (grotendeels) zonder zijn biologische vader op te groeien. …
Ik had toch een fijne moeder en was toch zo’n ongelooflijk gewenst kind? Ik kwam toch uit een veilig thuis en een gezin dat weliswaar klein was, maar in elk geval niet verscheurd? Wat ik al die tijd niet inzag, is dat mijn thuis al verscheurd was nog voor ik werd verwekt. Het maakt het trauma misschien minder tastbaar, maar nog niet minder zwaar.”
De diepere kwestie is zinloosheid. Een autonoom individu dat zijn eigen zin moet creëren in een universum dat — volgens het heersende materialistische wereldbeeld — fundamenteel zinloos is, staat voor een onmogelijke opgave.
Viktor Frankl wist dit. De existentialisten wisten dit. Maar wij doen alsof we het niet weten. Ik citeer Jacques Monod in mijn boek Vertrouwd met de werkelijkheid en hij is rücksichtslos als het gaat over zinloosheid (mijn vertaling; met nadruk):
“Het is volkomen waar dat wetenschap waarden geweld aandoet. Niet direct, aangezien wetenschap geen censor van waarden is en deze moet negeren; maar het ondermijnt elk van de mythische of filosofische ontologieën waarop de animistische traditie, van de Australische Aboriginals tot de dialectisch materialisten, alle ethiek heeft doen rusten: waarden, plichten, rechten, verboden. Als hij deze boodschap aanvaardt – alles accepteert wat erin staat – dan moet de mens eindelijk ontwaken uit zijn duizendjarige droom; en daarbij ontwaken in totale eenzaamheid, zijn principiële isolement. Nu beseft hij eindelijk dat hij, als een bohemer, leeft op de grens van een vreemde wereld. Een wereld die doof is voor zijn muziek, even onverschillig voor zijn hopen als voor zijn lijden of zijn misdaden.”
Ik schreef eerder over de normalisering van zelfgekozen eenzaamheid — de manier waarop een globalistische samenleving het individu isoleert terwijl ze ‘verbinding’ predikt. De paradox is schrijnend: hoe meer we over inclusiviteit en gemeenschap spreken, hoe eenzamer de concrete mens wordt.
Eenzaamheid is het onvermijdelijke resultaat wanneer autonomie wordt losgezongen van relatie. De mens is geen atoom. De mens ís relatie — tot anderen, tot de wereld, tot Iemand die groter is dan hijzelf. Snijd die relaties door in naam van zelfbeschikking, en wat overblijft is niet vrijheid maar leegte en eenzaamheid.
Autonomie aan de randen van het leven
De meest verontrustende uitwerking van verabsoluteerde autonomie vinden we aan de randen van het menselijk leven. Daar, waar mensen op hun kwetsbaarst zijn, wordt het autonomie-ideaal tot meetlat gemaakt.
Euthanasie is in Nederland inmiddels een geaccepteerde praktijk. De argumentatie is bijna altijd dezelfde: het is mijn keuze, mijn lijden, mijn waardigheid, mijn einde.
Voor alle duidelijkheid: lichamelijk en geestelijk lijden verdient serieuze aandacht. Daar kan ansoluut geen misverstand over bestaan.
Maar merk op hoe taal werkt: het gaat over het autonome individu dat soeverein over het eigen sterven wil beschikken. De relaties — de kinderen, de partner, de gemeenschap, de arts die het levenseinde moet bespoedigen — zijn ondergeschikt aan de autonome wil.
En de drempel verschuift gestaag: van terminale ziekte naar ‘voltooid leven’. Aan de andere kant van het spectrum, bij het begin van het leven, speelt iets vergelijkbaars.
Late abortussen worden in toenemende mate gefaciliteerd. Omgekeerd is er een zekere onwil onder sommige artsen ontstaan om vroeggeborenen — kinderen die buiten de baarmoeder net kunnen overleven — actief te behandelen.
De redenering is vaak functioneel: bijvoorbeeld de kwaliteit van leven zou onvoldoende zijn. Maar wie bepaalt dat? En op basis van welke criteria?
Hier raken we aan iets fundamenteels. Wanneer we vragen stellen over leven en dood, over wat het betekent om te bestaan en wat er na de dood overblijft, zijn dat geen medische vragen. Het zijn existentiële vragen.
En existentiële vragen veronderstellen een wereldbeeld.
Wanneer het menselijk leven onderhandelbaar wordt — af te wegen tegen autonomie, kwaliteitscriteria, maatschappelijke kosten, ondraaglijk lijden — dan is er geen principieel ankerpunt meer.
De ironie van het duurzaamheidsdiscours
Maar, dezelfde cultuur die het concrete, kwetsbare mensenleven steeds gemakkelijker ter discussie stelt, staat bol van de retoriek over intergenerationele zorg. We moeten de planeet redden ‘voor onze kinderen en kleinkinderen’, zo klinkt het mantra.
Frans Timmermans sprak bij de lancering van de Europese Green Deal over “een gezonde planeet nalaten aan komende generaties”. De theologie van dat document is doordrenkt met quasi-religieuze toekomstgerichtheid.
Maar over welke kinderen hebben we het precies?
De kinderen die beter niet geboren zouden worden omdat hun ecologische voetafdruk te groot is? De kinderen die als te vroeg geboren worden beschouwd om het behandelen waard te zijn? De kinderen die steeds vaker als klimaatbelasting worden gezien (mijn vertaling):
“In plaats van nieuwe moeders te overladen met financiële voordelen en daarmee gedrag te belonen dat schadelijk is voor het klimaat, zou er een ‘babyheffing’ in de vorm van een CO₂-belasting moeten worden ingevoerd, in overeenstemming met het principe ‘de vervuiler betaalt’.”
Het duurzaamheidsdiscours spreekt over de mensheid in abstracto, een statistisch gemiddelde, een toekomstige categorie, een modelmatig construct.
Maar het zwijgt in alle talen over de mens in concreto — het kind dat nu geboren wordt, de oude man die nu lijdt, de jonge vrouw die nu eenzaam is.
Zoals ik eerder opmerkte in de context van paus Franciscus’ klimaatencycliek Laudato Si’: er ontstaat een spanningsveld wanneer het institutionele christendom het duurzaamheidsdiscours omarmt zonder de onderliggende wereldbeeldvragen te stellen.
De zorg voor de schepping kan niet worden losgemaakt van de zorg voor de concrete, individuele, kwetsbare mens die in die schepping leeft.
De abstractie van ‘de mensheid’ vervangt desalniettemin de concrete naaste. En dat is geen onschuldige verschuiving. Het is een fundamentele omwenteling van wat het betekent om voor elkaar te zorgen.
Wereldbeelden als wortel: materialisme versus theïsme
De autonomievraag is uiteindelijk een wereldbeeldvraag.
Binnen een materialistisch wereldbeeld is de mens een toevallig product van blinde natuurkrachten. Bewustzijn is een bijproduct van neurochemie. Morele waarden zijn sociale constructies. En het leven is — hoe elegant ook geformuleerd — uiteindelijk zinloos.
Binnen een dergelijk kader is autonomie alles wat je hebt.
Als er niets boven of buiten je bestaat, dan ben jij de enige bron van zin, keuze en waarde. Het is begrijpelijk dat een materialistische cultuur autonomie verabsoluteert. Er is niets anders.
Maar het gevolg is ondraaglijk.
Want als ik de enige bron van waarde ben, dan is mijn waarde ook volkomen afhankelijk van mijn capaciteiten, mijn bewustzijn, mijn functioneren.
Een mens die niet (meer) autonoom kán zijn — de ongeborene, de dementerende, de terminaal zieke, de vroeggeborene — heeft binnen dit kader geen intrinsieke waardigheid. Waardigheid moet worden verdiend door autonomie. Wie niet autonoom is, valt buiten de boot.
Het theïstische wereldbeeld, echter, biedt een radicaal ander uitgangspunt.
De mens is geschapen — gewild, gekend, geliefd — vóórdat hij zichzelf kent. Het leven is geen toevallige samenloop van omstandigheden maar een gave en een opgave. Autonomie is in dit kader zeker niet afwezig, maar principieel ingebed: ingebed in relatie tot God, tot de medemens, tot de schepping.
Kinderen laten je zien dat de wereld een ongekende openheid kent — een openheid die het gesloten materialistische universum nooit kan bieden.
Het Kerstverhaal, dat we binnenkort weer zullen vieren, vertelt van Het Kind dat de wereld veranderde tegen alle verwachtingen en machten in. Dat Kind was het toonbeeld van kwetsbaarheid, afhankelijkheid, het tegenovergestelde van autonomie. En juist dáárin lag en ligt Zijn kracht.
De vraag is niet óf ons wereldbeeld de autonomiekwestie informeert. De vraag is of we bereid zijn dat onder ogen te zien.
Autonomie herijkt
Het vermogen om vrij te denken, te kiezen, verantwoordelijkheid te dragen — het behoort tot de kern van het mens-zijn. Kortom: menselijke autonomie is bewonderenswaardig, nooit aanbiddingswaardig. Losgezongen, geïsoleerde autonomie is ten diepste de hel.
Autonomie die zichzelf tot god verklaart, die elke binding als beperking beschouwt, die het kwetsbare leven ondergeschikt maakt aan de soeverein verklaarde wil — die autonomie vernietigt precies datgene wat het beweert te beschermen: menselijke waardigheid.
Scherp gesteld: als gewezen pleegouder geloof ik niets van de duurzaamheidsretoriek over bescherming van toekomstige generaties in het licht van onze veronachtzaming van mensen in de knel.
Werkelijke waardigheid ligt niet in onbegrensde zelfbeschikking. Ze ligt in de erkenning dat we ons bestaan niet aan onszelf te danken hebben. Dat we geroepen zijn tot verantwoordelijkheid voor het kwetsbare. Voor de ongeborene. Voor de stervende. Voor de eenzame. Voor de naaste die niet om onze goedkeuring vraagt maar vraagt naar onze mede-menselijkheid.
Pas vanuit die erkenning krijgen zowel duurzaamheid als zorg voor concreet leven hun juiste grond. Niet als abstracte projecten voor een abstracte mensheid, maar als concrete daden voor concrete mensen.
Maar, zolang autonomie een afgod blijft zal de paradox van onze tijd blijven bestaan: abstracte zorg voor de mensheid resulteert in concrete en vernietigende onverschilligheid voor de mens met een gezicht en een naam.
