Inleiding
Wie bij het zien van elke wolk aan de hemel een blikseminslag verwacht, komt de deur nooit meer uit. Maar: het lijkt onwaarschijnlijk dat iemand daadwerkelijk zo denkt.
Toch is dit de redenering waarmee stichting Meten=Weten (M=W) sinds 2018 het debat over landbouwgewasbeschermingsmiddelen voedt: er ís een stof gemeten, dus er ís schade.
Elke detectie is bewijs van vergiftiging. Elke meting wordt een mediamoment. Elk nanogram een nagel aan de doodskist van de volksgezondheid. Althans, dat is de boodschap van M=W.
Maar meten is geen weten. Detectie is geen dosis. En aanwezigheid is geen gevaar.
Samen met collega Marc Jacobs heb ik de uitingen van M=W systematisch doorgelicht (Hanekamp & Jacobs, 2026).
De conclusie is even helder als ontluisterend: M=W meet niet om te begrijpen, maar om te claimen. Hun rapporten zijn geen wetenschap, maar chemofobie in een laboratoriumjas.
De Revolutie van de Analytische Chemie
Laat ik beginnen met een compliment aan de analytische chemie. Want die verdient het.
De detectielimieten zijn in de afgelopen decennia spectaculair gedaald. Waar we ooit in milligrammen per kilogram maten (ppm — parts per million), zitten we nu routinematig op nanogrammen per kilogram (ppt — parts per trillion).
We hebben het hier over een daling in detectiegrenzen van een factor miljoen. Dat is een kolossale triomf van de instrumentele wetenschap.
Zoals ik eerder schreef: één ppt is vergelijkbaar met één seconde in 33.000 jaar. Of één druppel vermouth in 50 miljoen liter gin — een behoorlijk droge martini die zelfs James Bond niet ‘shaken not stirred’ klaar zou krijgen.

Als chemicus wordt ik heel erg vrolijk van dit technische kunnen. Knap werk. Maar — en hier begint het probleem — wat je kúnt meten is niet hetzelfde als wat je móet vrezen.
De analytische chemie heeft ons de mogelijkheid gegeven om vrijwel alles overal te vinden. Dat betekent niet dat die stoffen er niet eerder waren. Ze waren er altijd al. We konden ze alleen niet waarnemen.
Het is alsof je een telescoop aanschaft en vervolgens concludeert dat er plotseling meer sterren aan de hemel staan. Niet dus.
De consequentie is eenvoudig te begrijpen en onontkoombaar: het detecteren van een stof zegt precies niets over de giftigheid ervan. Helemaal niets. De dosis maakt het gif — niet de detectie, niet de stof, en al helemaal niet de gevoeligheid van het meetinstrument.
De studies van Meten=Weten: detectie zonder context
Wat doet M=W precies? De NGO laat pesticiden meten in allerlei matrices — zoals buitenlucht, plantenmateriaal, bodem — en rapporteert vervolgens dat er pesticiden zijn ‘aangetroffen’. Tot zover geen probleem. Meten mag altijd.
Het probleem zit in wat er daarna gebeurt. Of beter: wat er niet gebeurt. (Zie verder Pesticiden in Peru.)
Er worden geen blootstellingsanalyses uitgevoerd. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen beroepsmatige en omgevingsblootstelling. En er wordt al helemaal geen rekening gehouden met de alomtegenwoordigheid van natuurlijke toxines in ons dagelijks leven.
Want laten we niet vergeten: onze voeding zit boordevol natuurlijke pesticiden. Planten produceren giftige stoffen om zich te verdedigen tegen vraat. Wij eten die planten dagelijks.
Bruce Ames en collega’s schatte dat 99,99% van de pesticiden in ons dieet van natuurlijke oorsprong is. We staan elke dag bloot aan tienduizenden verschillende chemicaliën waaruit onze voeding bestaat — en dan heb ik de kookchemicaliën die we erop bakken, braden en frituren nog niet eens meegerekend.
Maar dat alles wordt door M=W vakkundig genegeerd. Het resultaat is een reeks rapporten waarin elk aangetroffen pesticide wordt gepresenteerd als een bedreiging. Zonder context. Zonder proportie. Zonder toxicologie.
Meten = Claimen.
Meetbaarheid ≠ giftigheid: drie dwalingen
De rapporten van M=W berusten op drie fundamentele dwalingen die het publieke debat over gewasbeschermingsmiddelen systematisch vergiftigen. In mijn adviezen aan het Parlement heb ik dit eerder uiteengezet.
Dwaling 1: Meetbaarheid is geen giftigheid. De aanwezigheid van een stof in een monster — urine, huisstof, lucht, maakt niet uit — zegt exact niets over een toxisch effect. Nul. Een stof aantreffen is niet hetzelfde als een stof die schade veroorzaakt.
Ons lichaam verwerkt dagelijks een enorme diversiteit aan chemische verbindingen, synthetisch én natuurlijk, zonder enig probleem. Dat is geen geluk; dat is biologie.
Dwaling 2: Blootstelling is geen dosis. Het feit dat iemand ‘blootgesteld’ is aan een stof — dat wil zeggen: dat een stof ergens in de omgeving aanwezig is betekent niet dat er een relevante dosis is opgenomen. De dosis telt. Niet de aanwezigheid.
Niet de ‘blootstelling’ gedefinieerd als ‘6 maanden in de buurt van een agrarisch perceel wonen’, zoals epidemiologen dat nogal eens plegen te doen. Sola dosis facit venenum — alleen de dosis maakt het vergif. Paracelsus wist dat vijfhonderd jaar geleden al.
Dwaling 3: Gevaar is geen risico. Alles is gevaarlijk. Water, cafeïne, keukenzout, zonlicht. Gevaar (hazard) is een intrinsieke eigenschap van een stof/situatie. Risico (risk) is gevaar maal dosis (gedurende een bepaalde tijd). Zonder dosisbepaling is er geen risicobepaling. Punt.
M=W spreekt consequent over ‘risico’s’ en ‘gevaren’ alsof het synoniemen zijn. Dat zijn ze niet. Het zijn categorisch verschillende begrippen, en het verwisselen ervan is niet onschuldig — het is de kern van de chemofobie-machine.
Chemofobie en het Nocebo-effect
Hiermee komen we bij de werkelijke schade. Chemofobie — de irrationele angst voor chemische stoffen — is geen onschuldige bezorgdheid. Het is een cultureel fenomeen met reële gezondheidsconsequenties.
Wanneer mensen ervan overtuigd raken dat zij vergiftigd worden door sporen van pesticiden in hun leefomgeving, ervaren zij stress, angst, slaapproblemen en psychosomatische klachten.
Dit is het nocebo-effect: het tegenovergestelde van placebo. Niet de stof maakt ziek, maar de overtuiging dat de stof ziek maakt. Kortom: psychologische in plaats van toxicologische vergiftiging
Een omvangrijk nocebo-voorbeeld: in juni 1999 worden er in België scholieren ziek na het drinken van Coca Cola. De geconsumeerde frisdrank heeft een wat afwijkende smaak, waarschijnlijk door een fout in de productie en/of opslag.
Veel kinderen in België worden ziek. Zelfs kinderen die geen Cola drinken worden ziek.
Maar: er worden geen chemische stoffen gevonden die verantwoordelijk kunnen zijn voor de verschijnselen. Achteraf wordt deze ogenschijnlijke vergiftiging dan ook geduid als een ‘mass sociogenic illness’.
M=W doet in wezen hetzelfde: detectiedata presenteren zonder context en met maximale dramatiek. Het resultaat: een bevolking die steeds banger wordt (gemaakt) voor steeds minder.
Het Voorzorgbeginsel als Vehikel
Chemofobie zonder politieke consequenties is vervelend maar beheersbaar, tot op zekere hoogte. Chemofobie mét politieke en juridische gevolgen is een heel ander verhaal.
De rapporten van M=W worden niet voor de ’lol’ geschreven.
Ze zijn munitie. Munitie voor juridische procedures en parlementaire debatten waarin het voorzorgbeginsel wordt ingezet als breekijzer. De logica is even simpel als destructief: pesticiden zijn gedetecteerd → er zou gevaar (kunnen) zijn → uit voorzorg moet het gebruik verboden worden.
Ik heb uitgebreid beschreven hoe de Nederlandse rechter dit beginsel misbruikt om toepassing van gewasbeschermingsmiddelen te verbieden, en hoe dit leidt tot wat ik groene klassenjustitie heb genoemd. In het kort: Detectie → Alarm → Voorzorg → Verbod
Meten = Claimen
Laat ik de zaken op een rijtje zetten. M=W produceert rapporten waarin pesticiden worden gedetecteerd in diverse matrices. Die detectie is reëel (maar verre van perfect; zie ons rapport) — analytisch-chemici zijn daar goed in.
De interpretatie die daaraan wordt gegeven door M=W is echter niet reëel. Verre van zelfs.
Die is fictief, tendentieus en wetenschappelijk onverantwoord. Laat ik het zo zeggen: iedereen — politici, rechters, bestuurders — die denkt te moeten refereren aan de M=W rapporten is niet serieus te nemen. Die nemen een loopje met de waarheid en hun publieke functie.
Er wordt geen toxicologische duiding gegeven. Geen blootstelling- en dosisbepaling. Geen risicoanalyse. Geen vergelijking met natuurlijke achtergrondniveaus. Geen context in het brede spectrum van stoffen waaraan wij dagelijks worden blootgesteld.
Wat rest is een naam — een scheikundige naam van een pesticide — en een getal. En de impliciete boodschap: u wordt vergiftigd. Dat is geen wetenschap. Dat is activisme met een massaspectrometer.
De werkelijke vergiftiging is niet chemisch maar epistemisch. Het publieke begrip van risico wordt systematisch ondermijnd door organisaties die detectie verwisselen met gevaar, gevaar met risico, en risico met zekerheid.
De rekening wordt betaald door boeren die hun beroep niet meer kunnen uitoefenen, door burgers die ziek worden van angst, en door een rechtsstaat die zich laat leiden door pseudowetenschap.
De analytische chemie kan inmiddels ‘alles’ meten — en precies dáárom is context ‘alles’. Zonder context is chemische analyse niet meer dan een angstmachine. En angst, waarde lezers, is een bijzonder slechte en destructieve raadgever.
