Introductie

‘Reflectie op ‘Weer ruimte voor boer, natuur en bouw: maatregelpakket voor landbouw, natuur en stikstof’, het rapport van het PBL, is een schoolvoorbeeld van ernstige wetenschappelijke malversaties door het verzwijgen van essentiële zaken.

Dat is een boude stelling die ik met een ruime hoeveelheid bewijs zal staven. Zoals waarde lezers van mij mogen en moeten verwachten!

Ter introductie: meet- en modelonzekerheden in emissiefactoren (Nationaal Emissiemodel voor Ammoniak - NEMA), het LML/MAN meetnet, OPS/AERIUS, de MetaNatuurplanner en hexagoonresolutie komen in het hele rapport niet voor. Meetproblemen worden uitsluitend en misleidend als handhavingsvraagstuk opgevoerd.

Sterker: hoewel het woord ‘stikstofdepositie’ meer dan dertig keer voorbij komt in het rapport wordt de aanstichter van al dat rekenwerk - AERIUS/OPS - nergens genoemd.

De KDW worden als “wetenschappelijk vastgestelde kwantitatieve grens” (p. 42) gepresenteerd. Dat dát wetenschappelijk onverdedigbaar is, mag als bekend worden verondersteld maar blijft, natuurlijk, onbesproken.

Het PBL blijkt, hoe weinig verrassend, een overheidsconsultant die in nauwe samenwerking met haar opdrachtgever - het ministerie van LVVN - keurig de stikstofideologie cultiveert, met hier en daar een vleugje kritische reflectie op precies de verkeerde thema’s.

Iedereen, waaronder de minister van LVVN, die dit rapport serieus neemt draagt bij aan de moedwillige en schaamteloze destructie van een sector die de komende jaren steeds belangrijker zal worden.

Hieronder de tragische opsomming van een rapport van een ideologische instituut dat zijn bestaansrecht nooit heeft verdient en dat ook nooit zal weten te verwerven.

Schoolvoorbeelden van misleiding: conclusies

1. De onzekerheidsketen ontbreekt

Elk kerngetal in dit rapport is de uitkomst van een keten van vijf schakels: forfaitaire emissiefactoren, het nationale emissiemodel NEMA, het verspreidingsmodel OPS binnen AERIUS, een kalibratie op meetnetgegevens, en een toetsing aan de hand van de kritische depositiewaarden (KDW).

Het rapport neemt de uitkomst van de keten over als invoer en rapporteert die als puntschatting, ondanks het feit dat voor elke schakel gepubliceerde kritiek bestaat. Dat is methodologisch onhoudbaar.

Een voorbeeld: in Figuur 3.2 (p. 30) wordt bij de uitvoer van de kabinetsbrief (26 juni 2026; zie mijn blogpost Destructie66 van de Landbouw of de Doelbewuste Polarisatie van de Nederlandse Samenleving) voor het jaar 2035 geschat dat 43% van de stikstofgevoelige Natura2000-gebieden onder de bepaalde KDW liggen.

Dit wordt gerapporteerd zonder marge; het rapport beweert daarmee dat de som van alle fouten in bovengenoemde keten verwaarloosbaar is ten opzichte van de 35% voor het jaar 2023. Dit is volstrekte nonsens en een wetenschappelijk faux pas van formaat.

2. Precisie zonder meting

De volgende 3 getallen dragen, grosso modo, het zwaarste beleidsgewicht:

  1. het tekort van 1 à 2 kiloton dat een generieke korting van 5 tot 10 procent op dierrechten zou moeten teweegbrengen (p. 6, 7);
  2. de bedrijfsnorm van 0.164 kg NH₃ per fosfaatrecht waarop een veehouder afgerekend wordt (p. 50);
  3. de grens van 250 mol per hectare per jaar waarmee het overschrijdingsareaal wordt ingedeeld.

Geen van deze drie grootheden wordt in Nederland gemeten én er worden geen onzekerheden van de modelberekeningen meegegeven.

Alle drie worden ze gepresenteerd met een precisie – twee cijfers, drie cijfers, een klassengrens op tien mol nauwkeurig – die een meetketen dan wel een modelensemble per definitie nooit kan leveren.

Het PBL constateert bovendien zelf dat emissies “soms nog helemaal niet” te meten zijn (p. 18), en trekt daaruit de conclusie dat modelberekeningen en forfaits nu eenmaal nodig blijven.

De logische redeneerstap die ontbreekt is de vraag of een niet-meetbare grootheid het aangrijpingspunt van een sanctie kan zijn juist vanwege het feit dat modelberekeningen in het stikstofdiscours notoir onbetrouwbaar zijn.

De vermeende noodzaak van modelberekeningen en forfaits zijn opportunistisch van aard. Zoals ik eerder al meldde: wegkijken (in dit geval bij onzekerheid) is en blijft onze nationale identiteit.

3. De maatstaf zelf wordt niet getoetst

De KDW zijn in dit rapport tegelijk noemer van de centrale natuurindicator, wettelijk doel, juridisch toetsingskader en – via de natuurdoelanalyses – de reden dat vergunningverlening vastloopt. ‘Alles’ hangt aan dat getal. En juist dat getal wordt, zonder voorbehoud en ten onrechte, als “wetenschappelijk vastgesteld” gepresenteerd.

De reconstructie van de herkomst van die waarden laat een heel ander beeld zien (zie Letter to the Editor - Nitrogen Critical Loads: Critical Reflections on Past Experiments, Ecological Endpoints and Uncertainties; mijn vertaling):

“… kritische depositiewaarden voor stikstof (KDW) [zijn] niet goed gedefinieerd en zijn onderhevig aan tot nu toe onopgemerkte vormen van onzekerheid, die de precisie en de bruikbaarheid van KDW in de besluitvorming wezenlijk aantasten. Om te beginnen zijn de officiële definities van wat een kritische depositiewaarde is tot op zekere hoogte duidelijk waar het om politieke doelstellingen gaat, maar niet duidelijk waar het gaat om herhaalbare of consistente parameters. Daarnaast laten wij zien dat het in de beoordeelde publicaties over de hele linie ontbreekt aan een onderzoeksopzet die recht doet aan de werkelijke, empirische, omstandigheden. Bovendien blijft het oordeel van deskundigen, dat een substantiële rol speelt in het KDW-discours, ongetoetst: de zekerheid die aan die oordelen wordt toegekend is te hoog en de grondslag ervan is dubbelzinnig. …”

4. Geen enkel model in dit rapport is verantwoord met skill

Modelverificatie is een volwassenen vakgebied met goed gedefinieerde en vastomlijnende eisen: onafhankelijke voorspellingen op nieuwe data die niet gebruikt zijn in de modelontwikkeling, ordelijke score regels, kalibratiecontrole, en bovenal skill – de aantoonbare superioriteit van het onderzochte model boven een eenvoudiger modelalternatief.

Voor AERIUS/OPS geldt dat de vier beschikbare validatiestudies laten zien dat een triviaal “gemiddeldemodel” het op de gehanteerde maten wint of evenaart, dat gebruikte maten zelf zwak zijn, en dat de modelfout toeneemt met de atmosfeerconcentraties. (Zie de studie Criticizing AERIUS/OPS Model Performance.)

Voor het ecologische rekenmodel achter figuur 4.1 wordt überhaupt geen prestatiemaat gerapporteerd. Je moet maar geloven wat er staat.

Zolang die verantwoording ontbreekt, is de enige juiste kwalificatie van de getallen in dit rapport niet ‘onzeker binnen een bepaalde bandbreedte’ maar ’nauwkeurigheid onbekend’. Dit is een principieel verschil, en het is een hele slechte uitgangspositie voor beleid dat productierechten kort en bedrijven uiteindelijk beëindigt.

Schoolvoorbeelden van misleiding: een ‘kleine’ opsomming

Afsluitend meldt het PBL dat “drukfactoren voor Natura 2000-gebieden vaak niet gemeten en dat er “nauwelijks standaarden [zijn] voor het verzamelen van data per Natura 2000-gebied”. (p. 35). Op een latere pagina (44) wordt het volgende opgemerkt (met nadruk):

“De Ecologische Autoriteit (2026) adviseert om voor het uitsluiten van verslechtering in de toekomst het criterium te hanteren dat er ‘wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel mag bestaan’, terwijl sommige Natuurdoelanalyses daarvoor het criterium ‘aannemelijk’ gebruikten en anderen ‘aantoonbaar zeker’. Met andere woorden: de bewijslast lijkt te verschillen bij deze interpretaties. Daardoor ontstaan verschillen tussen gebieden. Daarnaast zal het inschatten van de effecten van toekomstige gebiedsspecifieke maatregelenpakketten op dynamische ecologische systemen in de praktijk moeilijk ‘buiten iedere wetenschappelijke twijfel’ kunnen zijn …. Dit komt door de complexiteit in de dynamiek van ecosystemen en de complexiteit van het effect van drukfactoren op die dynamiek. Maar het hangt ook samen met het belang van georganiseerde scepsis voor voortschrijdend inzicht in de wetenschap (Merton 1973).

Uit mijn analyse van dit PBL-rapport blijkt dat de “georganiseerde scepsis” door het PBL vooral een tunnelvisie faciliteert die de belangrijkste sceptische vragen secuur vermijdt. En dat maakt de laatste pennenvrucht van dit instituut zo evident misleidend.