Inleiding
Ooit schreef ik een blogpost met als titel Groepsdenken als schuilkelder van de geest. Daarin gaf ik aan dat wij mensen steeds vaker indelen in groepen zodat we de persoon in kwestie kunnen afserveren als behorend bij een groep die we verafschuwen.
Objectiveren om af te serveren, te cancelen zoals dat heet.
Donald Pols, tot voor kort directeur van Milieudefensie, heeft deze funeste objectivering aan den lijve ondervonden. Een ’linkse’ moraalridder is gevallen vanwege zijn ’extreemrechtse verleden’.
Mijns inziens is dat volkomen onterecht. “Wie zonder zonde is ….”
De ‘casus Pols’ is namelijk een venster op een breed en desastreus fenomeen: de structurele morele blindheid van een cultuur die de zonde louter bij de ander weet te lokaliseren en tegelijkertijd de vermeende eigen zondeloosheid van de daken schreeuwt.
Over die blindheid, over de balk aanwezig in het eigen oog, gaan we het hebben.
Moreel leiderschap als pose
Donald Pols was jarenlang het gezicht van Milieudefensie. Een strijdbare figuur die zichzelf profileerde als morele actor in de klimaatstrijd. ‘Het is één voor twaalf’, zo waarschuwde hij. ‘Nalatige overheden en vervuilende multinationals pakken onze vrijheid af.’
Deze taal is quasi-religieus: verlossing, herovering, bevrijding. De vijand was duidelijk: de fossiele industrie, rechtse partijen, populisten die ‘de wetenschap’ niet serieus nemen.
Het is een vertrouwd patroon.
De progressieve morele signaalpolitiek kent haar eigen liturgie: het aanwijzen van schuldigen, het claimen van het hogere morele fundament, de oproep tot bekering — van de ánder dus.
Pols was hierin geen uitzondering maar een exemplarisch vertegenwoordiger.
Dat uitgerekend deze man een extreemrechts verleden blijkt te hebben, maakt de zaak wellicht pikant maar niet wezenlijk anders. Want het gaat niet om de mens David Pols.
Het centrale vraagstuk gaat over een wijdverbreide cultuur die structureel blind is voor de eigen gebreken, precies omdat zij zo druk bezig is met het catalogiseren van andermans zonden.
Syp Wynia signaleerde al eerder dat Pols zelf erkende dat de milieubeweging een ‘academische beweging voor hoogopgeleiden’ was geworden. Een opmerkelijke concessie.
Maar zelfs die zelfkritiek blijft oppervlakkig: meer oog voor lagere inkomens belóófde hij, terwijl het beleid dat hij bepleitte diezelfde lagere inkomens het hardst trof.
Dat is de hypermoralistische paradox in optima forma die ik uitgebreid heb beschreven in mijn blogpost De wereld ondersteboven - van anti-wetenschap en hypermoralisme.
De balk en het oog — selectief geheugenverlies
Er is een dieper patroon zichtbaar, tenminste, als je zorgvuldig kijkt. Dit patroon heb ik eerder beschreven in mijn blogpost Geheugenverlies.
Daar schreef ik over mijn vader die aan het einde van de oorlog bijna werd geëxecuteerd door jonge fanatieke Duitse soldaten en over het opmerkelijke feit dat de Westerse wereld wel ‘Auschwitz’ kent als symbool van ideologisch kwaad, maar bij ‘Katyn’ het antwoord schuldig blijft.
Die asymmetrie is verre van toevallig.
Jean-François Revel heeft haar in Last Exit to Utopia genadeloos ontleed. Hij noemt het “truncated memory”: een beperkt (selectief) historisch geheugen dat misdaden van (extreem-) linkse regimes systematisch negeert of zelfs vergoelijkt, terwijl rechtse ontsporingen permanent onder de loep worden genomen.
Toen de massagraven bij Katyn werden ontdekt, schoof het Kremlin de schuld op de nazi’s. De politiek linkerzijde in het Westen volgde lijdzaam. Vijfenveertig jaar lang werd iedereen die de Sovjet-schuld benoemde weggezet als ‘rabiaat anticommunistisch’.
Tegenwoordig zouden we dergelijke personen als ’nazi-ontkenners’ bestempelen.
Toen Gorbatsjov in 1990 de Sovjet-verantwoordelijkheid erkende, had men bescheidenheid verwacht van degenen die decennialang het ‘fascisme’-etiket hadden rondgestrooid. Maar zo werkt het niet, schrijft Revel (p. 133—114:
“Nu de kwestie dus door de Sovjets zelf was opgelost, had men kunnen hopen dat de westerse revisionisten – die decennialang het scheldwoord ‘fascist’ hadden gebruikt voor iedereen die geloofde in de schuld van de Sovjets – nu op eervolle wijze hun fouten zouden rechtzetten. Maar dan kent men hen niet. [“But that is not to know them.”] Evenzo zou het mooi zijn geweest als de Franse premier een klein ’toeristisch’ gebaar van herdenking had gemaakt door de graven van Katyn te bezoeken, om te laten zien dat linkse mensen hun herinneringen hadden teruggevonden en eindelijk waren opgehouden met zichzelf moreel en intellectueel te verminken [“moral and intellectual self-amputees”].
Het Zwarte Boek van het Communisme van Stéphane Courtois en anderen inventariseert circa 94 miljoen slachtoffers van communistische regimes wereldwijd. De auteurs betogen dat deze misdaden in het Westen moreel en historisch onderbelicht blijven vergeleken met nazi-misdaden.
Dit is een empirisch feit en geen complottheorie.
Dit alles het raakt direct aan de ‘casus Pols’. Want wie vanuit een progressief-linkse positie anderen de morele maat neemt — fossiele industrie, rechtse partijen, ‘ontkenners’ — zonder de eigen ideologische traditie kritisch te bevragen, bedrijft extreem selectieve en holle verontwaardiging.
De dwaling van de morele signaalcultuur
Het mechanisme is herkenbaar. Ik heb het eerder beschreven in De hang naar (andermans) zuiverheid en uitgewerkt in Voorzorg en Utopia - van wij en zij, schuld en andermans zuiverheid: door de ander als moreel verwerpelijk neer te zetten, kan men de eigen gebreken als non-existent verklaren.
Het is een afweermechanisme dat zich voordoet als morele ernst.
Robert Kurzban betoogt in zijn boek Why Everyone (Else) Is a Hypocrite dat dit geen uitzondering is maar een structureel kenmerk van menselijke psychologie.
Mensen denken modulair: eigen gedrag wordt gerationaliseerd, terwijl anderen op vergelijkbaar gedrag worden veroordeeld. Hypocrisie is geen ongelukje; het is geworteld in zelfbescherming en statuscompetitie.
Dat maakt het verre van onschuldig of zelfs maar verdedigbaar. Integendeel.
Want wanneer deze psychologische neiging wordt opgeblazen tot een cultureel fenomeen — morele signaalpolitiek als sociale valuta — wordt zij maatschappelijk destructief.
‘Virtue signalling’, zoals de Engelsen het noemen, gaat niet over werkelijke morele reflectie.
Morele signaalpolitiek gaat over ideologische positionering; over het behoren tot de ‘juiste groep’; over het aanwijzen van de ‘juiste vijand’.
Het is vermeende morele urgentie die geen enkele zelfreflectie duldt. Elke tegenstander is moreel verdacht. Elke twijfel is verraad.
Potten, ketels, splinters en balken
“Oordeelt niet, opdat ge niet veroordeeld wórdt; want met het oordeel waarmee gij oordeelt zult ge veroordeeld wórden, en met de maat waarmee gij meet zal voor u gemeten worden; maar wat kijk je naar de splinter in het oog van je broeder, en de balk in jouw oog merk je niet op?”
Deze benadrukte uitspraak van Jezus, zoals te vinden in Matteüs 7:3, ligt verankerd in onze taal.
Goede vriend Roel Pieterman heeft deze tekst eerder aan bod laten komen in de blogpost Wat je zegt, ben jezelf! - Over potten, ketels, splinters en balken.
Daar ging het over criminologen die anderen als ‘ontkenners’ en ’twijfelzaaiers’ etiketteerden, terwijl ze zich zelf schuldig maakten aan precies datgene wat ze de ander verweten: politiek activisme vermomd als wetenschap.
Het patroon herhaalt zich. Wie de ander als moreel verwerpelijk etiketteert — als ‘ontkenner’, als ‘populist’, als ‘fossiel’ — maakt zich schuldig aan dezelfde morele zelfingenomenheid die men in de ander meent te ontwaren.
De pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet.
Maar — en dit is het cruciale punt — het selectieve geheugen waarover Revel schrijft, is geen historische curiositeit. De progressieve morele claim is een levende culturele realiteit die zich dagelijks manifesteert in de wijze waarop het publieke debat wordt gevoerd.
Zonde als universele categorie
We komen hiermee bij het hart van de zaak. De ‘casus Pols’ is slechts een illustratie van een veel dieper probleem: de ontkenning van zonde als universele menselijke categorie.
‘Zonde’ is hier geen confessioneel wapen om anderen te categoriseren of te kwetsen.
Het is de erkenning van de onvermijdelijke menselijke conditie: we zijn allen feilbaar, allen geneigd tot zelfbedrog, allen bekwaam in het lokaliseren van kwaad bij de ander terwijl we het bij onszelf over het hoofd zien.
Morele signaalpolitiek is uiteindelijk een lege huls, een vorm van comfortabel zelfbedrog.
Niet omdat er geen legitieme zorgen zouden bestaan over ons milieu en de natuur in de wereld. Maar omdat deze politiek de universaliteit van schuld en feilbaarheid ontkent.
Zij lokaliseert het kwaad uitsluitend bij de ander — ‘de ontkenner’ — en ontslaat zichzelf van het zelfonderzoek dat werkelijke morele ernst vereist. De morele ernst is bijvoorbeeld dat ook ‘gewenst milieubeleid’ destructieve gevolgen kan hebben!
Echte morele ernst begint niet bij het etiketteren van de ander. Zij begint bij het eigen falen, bij de balk aanwezig in het eigen oog. Bij de erkenning dat ook wij — ík, uw waarde blogger — tot tal van kwaad in staat zijn.
Dat is een oncomfortabele waarheid. Maar het is wel de waarheid die de ultieme oplossing in diezelfde Jezus heeft gevonden tweeduizend jaar geleden.
