“The fear of man lays a snare, but whoever trusts in the LORD is safe.”
Inleiding
Worst-case denken presenteert zich als de hoogste vorm van intellectuele verantwoordelijkheid. Wie het ergste vreest, is immers voorbereid op alles — toch?
Neen. Het is feitelijk de gemakzuchtigste vorm van denken die er bestaat.
Het vraagt niets van de denker — geen kennis over de werkelijkheid, geen empirische toetsing, geen begrip van waarschijnlijkheden, geen wijsheid — en levert niets op.
Niets, behalve angst.
Worst-case scenario’s zijn holle vaten. Ze worden niet gevuld met kennis over de wereld, maar met angstbeelden óver de wereld.
En de handelingsperspectieven die eruit voortkomen zijn even leeghoofdig: behandel iedereen alsof ze terminale kankerpatiënten zijn, dien aan iedereen preventief cytostatica toe, en kijk vervolgens ‘verbaasd’ toe hoe steeds meer mensen ziek worden — niet van de ziekte, maar van de medicatie.
Dit stuk gaat over de existentiële en intellectuele leegte van worst-case scenario’s.
Over de epistemologische armoede van het worst-case denken, over de machinerie die het in stand houdt, en over de samenleving die eraan ten onder dreigt te gaan.
Het holle vat: worst-case scenario’s als kennisloos fabuleren
Een worst-case scenario vereist geen empirische kennis van de werkelijkheid. Het vereist fundamenteel slechts één ding: verbeeldingskracht van het somberste soort. Stel je het ergste voor, en je hebt je scenario. De werkelijkheid doet er niet meer toe — het gaat om het denkbare, niet om het waarschijnlijke.
Dit is precies wat de Britse socioloog Frank Furedi in zijn artikel Precautionary Culture and the Rise of Possibilistic Risk Assessment heeft blootgelegd. Furedi beschrijft een principiële verschuiving in onze omgang met gevaar.
Niet langer is de vraag “hoe waarschijnlijk is dit gevaar?” van belang maar “is dit gevaar denkbaar?” En áls het gevaar denkbaar wordt geacht — hoe onwaarschijnlijk ook — dan ‘moet’ er gehandeld worden.
De consequenties zijn verstrekkend.
Ik heb hier eerder over geschreven in de context van de minimax-beslisregel. Minimax — het minimaliseren van het maximale verlies — klinkt verantwoord, maar is het bankroet van het denken.
Het veronderstelt dat achter elke boom in het bos een beer staat die je wil verscheuren, en het eist dat je je daartegen bewapent. Koste wat het kost. Letterlijk.
Dat wil zeggen: alle bomen kappen om alle beren zichtbaar te maken. Tenminste, als ze er al zijn.
Dit is geen rationele risicobeoordeling. Het is cognitieve vooringenomenheid die door angstige emoties wordt aangedreven en door beleid wordt geïnstitutionaliseerd, het liefst met het voorzorgbeginsel.
Het resultaat is wat ik scenariozwendel heb genoemd: het fabriceren van dystopische toekomstbeelden die geen toetsbare relatie met de werkelijkheid onderhouden, maar die desondanks als grondslag dienen voor verstrekkend beleid.
Het zijn de ‘als-dan’ machinaties van de politieke en academische expertocratie.
De gebakken peren zijn voor de burger. Immers, de expertocratie en haar beleidslakeien hebben geen ‘skin in the game’. Die laten anderen bloeden voor hun hersenspinsels.
De machinerie van de angst: hoe worst-case scenario’s beleid koloniseren
Nergens is de werking van dit mechanisme, scenariozwendel, zo zichtbaar als in het klimaatdebat. Het emissiescenario RCP 8.5 — jarenlang gepresenteerd als “business as usual” — is het schoolvoorbeeld van geïnstitutionaliseerd worst-case denken.
Roger Pielke Jr. heeft uitvoerig gedocumenteerd hoe dit, nu afgeschafte, scenario, dat een extreme en onrealistische groei van het gebruik van fossiele brandstoffen veronderstelde, desondanks de basis werd en nog steeds is voor het overgrote deel van de klimaatimpactstudies en daaruit voortkomende beleidsvoorstellen.
De ironie wil echter dat scenario’s pertinent niet als voorspellingen mogen worden gebruikt maar als ‘conditionele toekomstpaden’ terwijl de term “business as usual” een directe waarschijnlijkheidsclaim communiceert. Desondanks beweert het KNMI het volgende:
“4c. Welk scenario is het meest waarschijnlijk?
Er kan geen waarschijnlijkheid aan individuele klimaatscenario’s worden toegekend. We maken de verschillende klimaatscenario’s juist omdat zowel de uitstoot als hoe het klimaat daarop reageert enigszins onzeker is. De klimaatscenario’s op basis van hoge- en lage mondiale uitstoot en de natte en droge varianten voor Nederland geven samen de hoekpunten weer waarbinnen klimaatverandering zich waarschijnlijk zal ontwikkelen. …”
Als het worst-case scenario als “business as usual” wordt beschouwd, dan is dát de realiteit waartoe we ons moeten verhouden. Dat maakt de waarschijnlijkheid van dit scenario 1.
De zelfbevestigende voorspelling — daar is ie weer! — is dat alleen draconisch-totalitaire — utopische —politiek ons kan redden. ‘How convenient’: de politiek vraagt, de expertocratie levert!
Ik heb dit patroon eerder beschreven in de context van de klimaatscenario’s van het KNMI, die met twee onrealistische nonsens opties — lage en hoge CO₂-uitstoot — de woningmarkt 325 miljard euro minder waard zouden maken. Angst verkoopt. Nuance en precisie niet.
Maar: het RCP 8.5 scenario was nooit waarschijnlijk. Het was expertocratische nonsens. Daarmee kunnen de duizenden studies die RCP 8.5 als basis gebruikten linea recta de prullenbak in.
Hetzelfde patroon vindt men in de chemische risicobeoordeling, waar regulatoire modellen systematisch uitgaan van maximale blootstelling en maximale gevoeligheid. (Zie onder andere mijn artikel Reflections on chemical risk assessment or how (not) to serve society with science.)
In de praktijk wordt worst-case als screeningsinstrument ingezet — niet als realistische voorspelling. Maar die nuance verdwijnt als sneeuw voor de zon zodra het beleid wordt.
Het medicijn als ziekteverwekker
Hier raken we de kern van het probleem. Het handelingsperspectief dat voortkomt uit worst-case denken is per definitie altijd maximaal ingrijpen. Als het ergste scenario de maatstaf is, dan moet de interventie navenant zijn. En dat betekent: iedereen behandelen alsof ze terminaal ziek zijn.
Stel u voor: een samenleving die preventief cytostatica — chemotherapie — toedient aan haar volledige bevolking om kanker te voorkomen. Niet omdat iedereen kanker heeft, of zelfs maar een verhoogd risico daarop, maar omdat kanker denkbaar is.
Wat zou er gebeuren? Precies wat je zou verwachten: steeds meer mensen worden ziek. Immers, bijwerkingen van kankermedicatie zijn vaak fors. Kanker is een van de mogelijke bijwerkingen van cytostatica.
De bijwerkingen van het medicijn worden de nieuwe epidemie. Dit is geen hypothetisch scenario. Het is wat we al hebben gedaan.
Tijdens de coronapandemie werden samenlevingen behandeld als terminale patiënten. Lockdowns — de universele chemokuur van het sociale lichaam — werden zonder onderscheid opgelegd aan gezonden en zieken.
Ik heb daar met Kerst 2021 over geschreven: het diepmenselijke samen-willen-zijn werd afgebroken in naam van een virus. De mens gereduceerd tot een weerloos biologisch vat dat anderen al dan niet kon besmetten.
In de chemische regulering zien we hetzelfde: stoffen worden verboden op basis van theoretische gevaren bij extreme blootstellingen (PFAS!) die in de praktijk niet voorkomen. Het resultaat is een wereld waarin alles gevaarlijk is, niets meer veilig, en het normale leven een risicovolle, dodelijke, onderneming.
De bijwerkingen van dit beleid zijn reëel: economische schade, sociale ontwrichting, psychische nood, verlies van vertrouwen in instituties, sociaal-maatschappelijke polarisatie.
Maar deze bijwerkingen worden niet meegewogen, want de minimax-regel — zoals ik eerder heb uitgelegd — eist dat de rest wordt genegeerd. Bepaal het ergste scenario, minimaliseer dát, en negeer de consequenties van de eigen oplossing.
Angst als existentiële leegte
Waarom omarmen wij dit denken? Waarom kiest een samenleving er collectief voor om de werkelijkheid te vervangen door het allerdonkerste dat men kan fantaseren?
Tja. Mijn dissertatie uit 2015 probeert daar een antwoord op te formuleren. Mijn recente boek Vertrouwd met de werkelijkheid is de volgende stap in het denken over onze worst-case cultuur. Ulrich Beck, de Duitse socioloog, heeft in de jaren tachtig van de vorige eeuw een aanzet gegeven op een antwoord op deze vraag:
“De drijvende kracht in de klassensamenleving kan worden samengevat met de zin: ‘Ik heb honger!’ De beweging die op gang kwam met de risicomaatschappij, daarentegen, vindt zijn uitdrukking in de stellingname: ‘Ik ben bang!’ De communiteit van angst heeft de plaats ingenomen van de communiteit van behoefte.” [“The driving force in the class society can be summarized in the phrase: I am hungry! Thee movement set in motion by the risk society, on the other hand, is expressed in the statement: I am afraid! The commonality of anxiety takes the place of the commonality of need.”]
Furedi gaat een stap verder. Zijn analyse van de voorzorgcultuur legt bloot dat het hier niet gaat om een rationele reactie op nieuwe gevaren, maar om een cultuurverschuiving waarin het menselijk vermogen tot handelen — agency — is vervangen door het angstig vermijden van het ergste.
De mens dus als potentieel slachtoffer, niet als handelend subject. De wereld als een groot dreigingslandschap, niet als een plaats waar geleefd, gewerkt wordt en de liefde tussen mensen kan bestaan en groeien.
Maar: beiden heren gaan mijns inziens niet ver genoeg! Worst-case denken is de mislukte poging het existentiële vacuüm op te vullen van een zinloos gemaakt materialistisch bestaan.
In mijn boek Vertrouwd met de werkelijkheid laat ik Jacques Monod aan het woord die als geen ander de prijs van het existentiële vacuüm vlijmscherp definieert in termen van radicaal nihilisme:
“Het oude verbond ligt aan gruzelementen; de mens weet eindelijk dat hij alleen staat in de gevoelloze immensiteit van het universum, waaruit hij slechts bij toeval is voortgekomen. Zijn bestemming staat nergens beschreven, noch zijn plicht. Het koninkrijk daarboven of de duisternis beneden: het is aan hem om te kiezen.”
In een samenleving die haar traditionele zingevingskaders heeft afgeworpen — geloof, gemeenschap, traditie — bieden doemscenario’s, schijnbaar, een seculier eschatologisch verlossingsverhaal.
Ze lijken richting te geven maar zijn zonder wijsheid. Ze bieden urgentie zonder begrip. Ze verschaffen ogenschijnlijke morele helderheid — wie het ergste vreest en daar naar handelt, is goed — zonder enige diepgang.
We hoeven niet meer te observeren, niet meer te meten, niet meer te wegen, niet meer te zoeken, niet meer te twijfelen. Het ergste is immers altijd denkbaar. En als het denkbaar is, moet er gehandeld worden. De intellectuele prijs daarvan is echter vernietigend.
Met het worst-case perspectief is de werkelijkheid waarin wij bestaan namelijk opgegeven. We zijn slaaf geworden van de angst.
Alleen de liefde vormt het tegengif van de eenzame chaos die het existentiële vacuüm heeft veroorzaakt. En liefde is de tweeling van waarheid. Beiden laten ons de werkelijkheid zien zoals die is, niet zoals we die in onze ergste nachtmerries vrezen!
Zalig Pinksteren!
