Inleiding

Tussen 1985 en 1992 heb ik samen met andere studenten en promovendi het Utrechtse laboratorium van prof. Lambert Brandsma bevolkt. Eerst als student, later na mijn doctoraal in 1989 als toegevoegd onderzoeker.

Prof. Sijmen Duursma, hoogleraar klinische geriatrie en gerontologie aan dezelfde universiteit, vroeg mij in de zomer van 1989 om mij te storten op een interessant organisch chemisch vraagstuk: de synthese van 25-hydroxydihydrotachestrol, een metaboliet (omzettingsproduct) van dihydrotachestrol₂**.**

Om het wetenschappelijk onderzoek efficiënt te kunnen verrichten, kreeg ik toestemming van Brandsma om in zijn lab het praktisch-synthetisch en analytisch werk te doen.

‘And the rest is history, as they say.’

Op 24 september 1992, in de middag, heb ik mijn dissertatie verdedigd. Mijn vader verdedigde zijn dissertatie in de theologie op dezelfde dag, later in de middag. Ik ben en blijf de ‘oude doctor’.

Deze maand twee jaar geleden, op 12 april 2024, overleed Lambert Brandsma. Het was een bond gezelschap van familie en oude bekenden bij zijn uitvaart, 8 dagen later.

Mijn goede en vrolijke herinneringen aan mensen en situaties op het ‘Brandsmalab’ bleken bewaarheid. Het ‘gesprek’ van toen, zoveel jaren geleden, werd moeiteloos opgepakt.

Het dringt langzaam tot mij door dat mijn ‘academisch levenspad’ een forse Brandsma-invloed heeft gekend. De zinssnede “daar geloof ik niks van” speelt daarin een hoofdrol.

Een sceptisch leermoment voor het leven

“Daar geloof ik niks van.” Een uitspraak van Brandsma die ik nooit zal vergeten. Wat was het geval. Een paar studenten en promovendi hadden een interessant en veelbelovend artikel gevonden in nota bene een zeer vooraanstaand tijdschrift.

Dat wil zeggen, het blad had een hoge impact factor!

Wij als jong onderzoeksvolk waren van mening dat Brandsma dit moest zien, want heel belangrijk. Zo gezegd, zo gedaan. Als lezend en rokend kwam hij snel tot zijn vernietigend en onvergetelijk oordeel. Waarom? Zijn gedachtegang was simpel én doeltreffend:

  1. dat de impact factor van het betreffende wetenschappelijke tijdschrift hoog was, was voor Brandsma nietszeggend; het draait om de inhoudelijke kwaliteiten en niet om stickers;
  2. zijn getrainde ogen zagen snel dat reproduceerbaarheid van de studie minimaal zo niet afwezig was;
  3. het centrale thema van reproduceerbaarheid werd door Brandsma bekritiseerd vanwege de gebrekkige experimentele sectie met te weinig details en de afwezigheid van analytische data ter ondersteuning van de bevindingen.

Zomaar drie punten die voor hem de uitspraak “daar geloof ik niets van” zondermeer rechtvaardigden. Het was en is een wijze les die in het wetenschappelijk onderzoek en de collegebanken van nu steeds minder aandacht krijgt. En dat is een groot gemis.

De goedgelovige mens

Want wat zijn we goedgelovig geworden met z’n allen! Vrijwel elke zogenaamde wetenschappelijke ‘ontdekking’ wordt met gejuich ontvangen alsof het een onwrikbare waarheid betreft. Voorbeelden te over:

  • de uitstoot van kooldioxide leidt tot catastrofale klimaatverandering
  • AI-onderzoek zal uiteindelijk resulteren in zelfbewuste machines
  • de consumptie van rood vlees leidt tot talloze vormen van kanker
  • de uitstoot van stikstofverbindingen sloopt onze natuur
  • ‘wij zijn ons brein’
  • blootstelling aan pesticiden/PFAS/(hier uw ‘favoriete’ synthetische chemicaliën) veroorzaakt kanker/Parkinsons/Alzheimer/(hier uw meest gevreesde pathologie)

Dit rijtje kan eindeloos worden aangevuld. En we lijken dit allemaal als zoete koek te slikken. Waarom? In mijn boek Vertrouwd met de werkelijkheid geef ik kaders aan die inzicht bieden in onze goedgelovigheid.

Wellicht het belangrijkste motief is dat ons zicht op de kenbare werkelijkheid wordt vertroebeld door complex lijkende wetenschappelijke analyses die ons met zekerheid zouden kunnen vertellen hoe de werkelijkheid ‘werkelijk’ in elkaar steekt.

Met dit vaak gebezigde perspectief wordt ons helemaal geen wetenschap voorgehouden maar de drogreden van het sciëntisme, zoals ik onder andere op p. 36 van mijn boek als volgt definieer:

“de drogreden dat wetenschap de werking en structuur van de wereld in zijn totaliteit kan doorgronden en volledig kan om- en beschrijven in de vorm van getallen, formules, wetenschappelijke taal en wat dies meer zij. Delen van de academia claimen daarmee een allesomvattende modus operandi (manieren van werken) te bezitten voor zichzelf en de wereld. De vele cruciale vraagstukken waarmee de mensheid lijkt te worden geconfronteerd – klimaatverandering, oorlog, armoede, honger, de stikstofcrisis en milieuvervuiling in het algemeen, en zo verder – kunnen wetenschappelijk worden begrepen én opgelost, althans zo wordt geclaimd vanuit het sciëntistische wereldbeeld.”

Meer schrijver dan organisch chemicus

Enfin, het sceptische perspectief op talloze zaken heeft mij veel gebracht in mijn academisch en persoonlijk leven. Het ‘Brandsmaïaanse’ “Daar geloof ik niks van” heeft gaandeweg plaatsgemaakt voor het “Is dat zo?”.

Afsluitend kan ik, met veel genoegen, constateren dat mijn chemische leermeester, voor mij persoonlijk, op één specifiek punt een zeer vooruitziende blik heeft gehad.

In zijn laudatio tijdens het promotiediner merkte hij op dat ik wel een “aardige chemicus ben”. Plat gezegd was hij niet bijzonder onder de indruk van mijn synthetische labkwaliteiten.

Echter, hij was wel onder de indruk van mijn kwaliteiten als schrijver! Hij was dan ook van mening dat ik veel beter tot mijn recht zou komen met de pen dan met een rondbodem kolf in de hand.

Ik denk dat hij gelijk heeft. Eeuwige gedachtenis, prof. Brandsma!