Inleiding
Zo nu en dan ga ik voor in ‘mijn’ kerk. Predikantje spelen dus. Aangezien mijn vader later in zijn leven predikant werd, heb ik die rol altijd een beetje trachten te vermijden.
Wat schetst mijn eigen verbazing: ik vind het geweldig om te doen. (Wellicht dat de gemeenteleden in de kerkzaal aanwezig daar anders over denken.)
Hoe dan ook was ik 1 februari aan de beurt. De verkondiging, veelal de pièce de résistance in de protestantse traditie, betrof het overbekende verhaal van de opstanding van Lazarus.
De achtergrond van dit verhaal is te vinden in Psalm 37 en dan specifiek deze zin: “3 Vertrouw op de HEERE en doe het goede; bewoon de aarde en voed u met trouw. 4 Schep vreugde in de HEERE, DAN zal Hij u geven wat uw hart verlangt.” Let’s begin, shall we!
Verkondiging (01-02-2026)
Ik wil allereerst met u een beetje terugkijken. Dat doen we normaal in december van elk jaar, zowat. Kerst 2025 is nu ruim een maand achter ons; de magiërs hebben hun gaven voor de Koning neergelegd, goud, wierook, mirre.
Het zijn bekende goederen: allemaal prijzig; twee geurig en betekenisvol bij leven en dood. Ik heb mirre en wierook bij me, voor de nieuwsgierigen onder ons.
Met de magiërs is er een begin gemaakt met de verkondiging van deze morgen. Terugkijken is, soms, een zinvolle activiteit. Astronomen/astrologen die hemellichamen als tekenen van de goden zien gaan op reis om de hemelse Koning te begroeten en te vereren.
De evangelist slaat hier een ‘vroeg’ en cruciaal piketpaaltje: magiërs, de bij ons bekende ‘drie koningen’, de ‘sterrenkijkers’ die buiten het Joodse volk staan, vinden in Jezus de mens van Godswege die werkelijk aanbiddingswaardig is.
Daarmee plaatsen ze deze baby, nota bene, boven de sterren. Alles wat deze magiërs als heilig beschouwen komt samen in Jezus die zij prompt aanbidden, ondanks de bescheiden omgeving waarin zij ouders en kind vinden.
Terzijde, voor ons zijn sterren extreem hete gasbollen van immense omvang. Planeten, die ook in het spel zijn, zijn de ‘zwerfsterren’ aan het firmament; dat is de letterlijke betekenis van het woord planeet.
In het Oude Testament zijn sterren echter veel meer dan lichtbronnen. Het zijn verbeeldingen van de ‘zonen van God’. In Job 38 staat dat bij de schepping van de wereld de “morgensterren vrolijk zongen, en alle kinderen van God juichten”. Het gaat hier niet over mensen!
Goed, we hebben even teruggebladerd in de tijd. De magiërs die vonden waar zij werkelijk naar op zoek waren; hun hartsverlangen werd vervuld. Luister nu naar Psalm 37: “3 Vertrouw op de HEERE en doe het goede; bewoon de aarde en voed u met trouw. 4 Schep vreugde in de HEERE, DAN zal Hij u geven wat uw hart verlangt.”
Het verlangen van onze harten.
Snel uitgesproken maar niet eenvoudig te begrijpen. Integendeel. Misschien dat een gedicht ons kan helpen. Dichters zijn onderzoekers, zeg maar wetenschappers van de menselijke taal.
Zij speuren naar de grenzen van het spreken en pogen met woord én stilte – de witregel “waar de taal even stilvalt” om Cees Bregman te citeren – een nog niet eerder geziene realiteit te openen:
“Like the light upon the water,
Summer in the swaying tree,
Radiance of the woken flower,
You are these and more to me.
From this hour, from this moment,
Where we make our holy vow,
No more distant, no more hidden,
We are undivided now.
Life before us, love within us
More than we can sing or say,
Everything is grace, is given,
All our dreams begin this day.”
Dit gedicht is van Michael Dennis Browne – Light upon the water; Licht op het water. Het is geen complex gedicht. Het is een gedicht van geliefden die elkaar gevonden hebben. De kern:
“Alles is genade, is gegeven” – “Everything is grace, is given.”
Deze zin sluit nauw aan bij Psalm 37. “Hij zal u geven wat uw hart verlangt.” Maar, weet ik zelf wel wat ik echt verlang in het diepst van mijn hart?
Als mij dat gevraagd wordt kan ik dat niet zo een-twee-drie opdiepen. De dichter Browne is ons voor; hij zegt dat ‘alles’ een genadegave is. En de Psalmdichter maakt die genade expliciet: Vertrouw op God. Vertrouw op God.
Wat houdt dát nou precies in? Moet ik speuren in mijn hart of …? Dat brengt ons bij het overbekende verhaal van de opstanding van Lazarus.
Dat verhaal heeft verlangen van het hart centraal staan. Dat verlangen laat zich echter niet zomaar kennen, zo blijkt.
Eerst moeten we puinruimen. Iemand uit de dood terughalen, zelfs als Jezus daar verantwoordelijk voor is, kan er bij ons al lang niet meer in.
We maken er een metaforische vertelling van, of zoiets, om het voor ons draaglijk te maken. Of, we isoleren deze Bijbeltekst in het verre verleden van mensen die we als veel goedgeloviger afspiegelen dan wij ooit zouden kunnen zijn.
Ons wereldbeeld duldt nu eenmaal geen wonderen van het type opstanding-uit-de-dood. Dat is niet alleen te pijnlijk voor ons, want dat is het, ook voor mij; dingen gaan nu eenmaal volgens de onveranderlijke natuurwetten.
Dood is dood. Einde verhaal. Niets meer aan het doen.
Maar de goddelijke ironie begint bij onze “natuurwetten”. Hoezo, natuurwetten? Als er natuurwetten zijn, dan is er een Wetgever, namelijk God zelf.
Dat is het wereldbeeld waarin we ons moeten verplaatsen willen we iets begrijpen van wat hier gebeurt. We moeten ons kosmische autoriteitsprobleem van ons afschudden.
Kosmische autoriteitsprobleem?
We dulden niemand boven ons. Zelfs God niet; Hij die alles, de kosmos!, geschapen heeft. Het idee dat we geen autonome mensen zijn maar in alles afhankelijk zijn van God belijd ik graag met de mond, maar ik wil oh zo graag onafhankelijk zijn. Ook als ik dat niet ben.
Vraag mijn lief maar. Zucht.
Dat Hij onze Koning is, tja. Klinkt nogal autoritair. We houden God het liefst op enige afstand om ons ’eigen ding’ te kunnen blijven doen.
Hoe dat ook zij, mensen van 2 millennia geleden waren net zomin naïef of goedgelovig als wij dat zijn. Martha, praktisch als zij is, weet heel goed wat de dood betekent: “Heer, hij stinkt al, want hij ligt hier al voor de vierde dag.”
Je hoeft geen verstand van chemie te hebben om te weten dat in het hete Middellandse Zee gebied ontbinding hard gaat.
Martha is van de directe communicatie. Hoewel we dit vanochtend niet samen hebben gelezen kennen de meesten haar reactie wel: “Heer, als u hier was geweest zou mijn broer niet zijn gestorven; ook nu weet ik: wat u God ook zou vragen, God zal het u geven!”
Wij denken hier een vrouw te zien die duidelijke taal spreekt, maar dit is een rechtstreeks, hard en niet fluisterend uitgesproken verwijt aan Jezus’ adres. En dat pijnlijke verwijt wordt, ondenkbaar voor die tijd, publiekelijk uitgesproken, voor iedereen hoorbaar.
In het fikse twistgesprek met Jezus, want dat is het, doet Hij de gepassioneerde en wonderlijke uitspraak dat Hij de “opstanding en het leven is; wie gelooft in Mij zal leven, ook als hij sterft.”
Maria, die stilletjes door Martha wordt gemaand om naar Jezus te gaan (de tekst meldt helemaal niet dat Jezus naar haar vraagt; het is een leugentje om bestwil om de verslagen Maria in beweging te krijgen), is niet in staat haar verwijt staand uit te spreken, laat staan Hem aan te kijken zoals Martha doet: “als u hier was geweest zou mijn broer niet zijn gestorven.”
Hetzelfde verwijt. Jezus zwijgt.
Twee vrouwen die rouwen zijn om de dood van hun broer. En: ze maken beiden het keiharde verwijt aan Jezus’ adres dat Hij dat op een of andere manier had kúnnen voorkomen. Er is niets menselijks vreemd aan dit verhaal. Sterker: hoe vaak hebben wij dat niet zelf ervaren of van anderen gehoord.
Martha gaat het gevecht aan met Jezus; Maria kan de kracht daar niet meer voor opbrengen. De twee zussen zijn vervreemd geraakt van Jezus. Ieder op hun eigen manier. Eenzaamheid zonder de vriendschap met God.
Daarin is niets vreemds te bespeuren. Wij kunnen, ik kan, vervreemd raken van God als we met lijden en dood te maken krijgen.
Hoe dan kan God ons de verlangens van ons hart geven met de onvermijdelijke dood voor ogen? Hoe kan Jezus zijn relatie met Maria en Martha herstellen na de dood van hun broer?
Martha weet het wel: zij heeft de hint al aan Jezus gegeven door, weliswaar indirect, te verwijzen naar de opstanding. Maar op het laatste moment deinst ze terug. Nogmaals: “Maar Heer, de stank!” Maria zegt, wederom, niets.
Wat opvalt is dat er twee keer wordt gezegd dat Jezus zich ergert. De Naardense vertaling spreekt over woede. Jezus wordt zelfs verwarring toegekend. En tranen. Waarom?
Hij weet zelf al wat Hij doen zal, dus zijn tranen zijn niet om de dood van Lazarus: “Onze vriend Lazarus is ingeslapen, Ik ga hem wakker maken” staat er in vers 11.
De tranen en de woede van Jezus gaan om iets heel anders: het gaat om de breuk tussen Jezus en zijn vrienden. De dood is in het spel en heeft vervreemding tot gevolg.
Die breuk, die vervreemding, gaat oneindig verder dan het verlies van een dierbare. Het gaat om een eeuwigheidsperspectief dat geheeld moet worden omwille van mensen met een naam en een gezicht; zoals Lazarus, Martha, Maria.
Daarin schuilt het diepste verlangen van ons hart.
Wat kan Jezus doen om die breuk te herstellen? Zeker, Lazarus hier en nu weer het leven in-roepen is wat Hij uiteindelijk doet.
Maar Jezus is zodanig begaan met zijn vrienden dat Hij hen iets wil geven dat de opstanding van Lazarus verre te boven gaat: “Ik heb je toch gezegd dat je Gods grootheid zult zien als je gelooft?”
Jezus biedt hen de eeuwige verbintenis met de liefde van God aan die alle verstand te boven gaat. Hij wil hun verlangen naar een levende Lazarus omvormen naar de herstelde relatie met Hem, en dus God.
Nu moeten we oppassen. Het gevaar bestaat namelijk dat we denken dat we iets zullen krijgen wat ons ten diepste aan het hart gaat als we maar hard genoeg geloven, hoewel ikzelf geen idee heb hoe je dat zou moeten doen.
Geloven gaat hier om vertrouwen.
Niet vertrouwen met de ogen stijf dichtgeknepen in de hoop dat als we de ogen opendoen onze wereld er zo uit ziet zoals WIJ dat willen hebben. Joseph Ratzinger zegt het als volgt:
“Zo is geloof het vinden van een ‘jij’ die mij ondersteunt. Te midden van alle onvervulde – en in laatste instantie onvervulbare – hoop van menselijke ontmoetingen wordt onverwoestbare liefde ons belooft die niet alleen naar eeuwigheid verlangt, maar deze ook garandeert. … Welbeschouwd zijn geloven, vertrouwen en liefhebben één; deze kernen waar het geloof om draait zijn slechts concrete expressies van de allesomvattende ommekeer, van de belijdenis ‘Ik geloof in jou’ – van de ontdekking van God in het gelaat van de mens Jezus van Nazareth.”
Ratzinger maakt het ons niet gemakkelijk. Hij heeft het over geloven, vertrouwen en liefhebben. Dat zijn de elementen van de drie teksten van deze morgen.
Prediker spreekt in zijn beroemde rede “er is een tijd van …” over het feit dat God ons de eeuwigheid in het hart gegeven heeft.
Wij hebben iets met oneindigheid, eeuwigheid. Dat weten we als kind al. Als klein broekventje merkte ik al dat ik dóór kon tellen: 1,2,3,4,5, …, 100, …, 1000. Het houdt letterlijk nooit op. Ik krijg nog de rillingen over mijn rug als ik daaraan terugdenk.
Tellen is oneindig, gaat eeuwig door.
Spannend contrast ook: in de afgebakende tijd van ons eigen bestaan roept de eeuwigheid tot ons vanuit ons eigen hart. Dat is een in dit leven onvervulbaar verlangen.
Jezus roept Martha, en dus ook Maria, op tot geloof, dat wil zeggen vertrouwen. Een immense opgave met de dood van hun broer in het geheugen gegrift. Het gaat Jezus daarom om eeuwig vertrouwen en niets minder dan dat.
Het verlangen van ons hart, hoe dat er ook uitziet, begint en eindigt dus met God zélf voor ogen. Hij alleen kan dat verlangen oproepen en transformeren.
Met het oog op God, Jezus, in plaats van op onszelf begint ons werkelijke verlangen pas te dagen. Als we vertrouwen dat God onze Maker is kunnen we er ook op vertrouwen dat Hij weet wat onze diepste verlangens zijn, verlangens die ons werkelijk laten stralen.
Jezus maakt zijn vriend Lazarus niet voor niks wakker uit de dood! Daarmee neemt Hij de liefde voor zijn vrienden en de liefde van Zijn vrienden voor Hem bloedserieus.
Het resultaat van Jezus’ handelen gaat echter oneindig veel verder dan herstelde familierelaties hier en nu, hoe belangrijk ook. Het doorbreekt de vervreemding tussen Martha, Maria, Lazarus en Hemzelf.
Voorgoed.
Het permanente herstel van relaties tussen Jezus en Zijn mensen is de crux en een gave die God alleen kan geven – “Everything is grace, is given”.
Dat ontkent de dood helemaal niet. Integendeel. De dichter en zanger T Bone Burnett, in zijn “The long time now”, weet heel goed hoe moeilijk het is om de focus te houden op het vertrouwen op God:
“I been waiting for a long, long time (3x) I been waiting for the long time now I been waiting for a long, long time (3x) I been waiting for the long time now
I can hear the footsteps following behind me Trying to find me but when I turn around I can’t see where the path goes Into the shadows, into the shadows
I been waiting for a long, long time (3x) I been waiting for the long time now
I can hear you breathing Whispering in my ear, “There is nothing to fear” But when I turn around As I see the trees bow, I only hear the wind blow
By mistake I felt alone, in my heart I’ve always known You’d be there to bring me home
I been waiting for a long, long time (3x) I been waiting for the long time now (3x)”
Zoals ik al eerder opmerkte: wij noch Martha en Maria zijn naief als het gaat over leven en dood. Burnett zingt in zijn lied, rechtstreeks vertaald:
“Ik kan de voetstappen horen die mij volgen, die mij trachten te vinden, maar als ik mij omdraai zie ik het pad niet anders dan verdwijnen in de schaduwen.
Ik kan je horen ademen, fluisteren dat er “niets te vrezen is”, maar als ik mij omdraai zie ik de bomen buigen en hoor ik alleen de wind.
Bij vergissing dacht ik verlaten te zijn, maar in mijn hart heb ik altijd geweten dat jij er zou zijn om mij naar huis te geleiden.”
Dichters zijn wonderlijke mensen. De genade van het vermoeden en het vermoeden van de genade weet Burnett paradoxaal met precisie vast te leggen in zijn lied.
Uit die genade leven wij in het vertrouwen, geloof, dat Hij, die Zelf het einde heeft geproefd, ons altijd nabij is. Hij is ook en juist diegenen nabij die ons zijn voorgegaan.
Die bevinden zich in Zijn goede eeuwigheid, datgene wat al in ons hart gelegd is en alleen door Jezus Zelf tot bloei kan en zal komen.
Zij die ons zijn voorgegaan zijn de wolk van getuigen die onzichtbaar en toch aanwezig deel uitmaken van de kring van gelovigen hier in deze gemeente en alle gemeenten die wereldwijd de naam van Jezus aanroepen als Koning en Heer.
In de Naam van de Vader, en van de Zoon en van de Heilige Geest. Amen.
