Op weg naar het graf, de eeuwigheid of de klanten service?

De blogpost over eeuwigheid of het graf stelt heel in het kort dat waarheid en eeuwigheid in elkaars oneindige verlengde liggen.

Bloggertje (zei hij tegen zichzelf), wat een grote woorden.

Het is de vraag (hmmm) of ik precies genoeg ben geweest. Waarom is het zo belangrijk dat waarheden -noodzakelijke proposities zoals 2+2=4, modus ponens, modus tollens, enzovoort- eeuwigheidswaarde hebben? Of hebben ze dat niet?

Ik ga het vooralsnog anders aanpakken waarde blog bezoekers, want ik heb een reactie gekregen van een lezer, een bijna met pensioen gaande vriend.

Pensioen. Tja, ik word oud; hij wordt oud. Hopelijk worden we dat allebei!!

Ik ga een paar van zijn reacties proberen te beantwoorden. ‘Beantwoorden’ lijkt een wat grote opgave. Maar ach, waarom niet een poging wagen. Een stukje dienstverlening aan één van mijn zeldzame lezers. De klant is koning, niet waar!

Ik citeer eerst mijn punt en dan (delen van) zijn commentaar schuingedrukt. Ik kan geen volledigheid beloven. (Alweer een disclaimer.)

“Het 21ste eeuwse gedachtegoed rondom leven en sterven is kinderlijk eenvoudig. Het heeft de diepgang van een platbodem.”

Is dit een argument (om deze visie af te wijzen)? Is iets wat geen diepgang heeft per definitie onwaar?

Diepgang speelt wel degelijk een rol om de de 21ste eeuwse visie op leven en dood te begrijpen én af te wijzen. Dat is onder andere terug te voeren op het methodisch reductionisme (moeilijke term) van de wetenschap en het misbruik daarvan.

Okay, ik moet wat uitleggen. Een voorbeeld van methodisch reductionisme: wij mensen bestaan uit (bio)chemie. Dat is zichtbaar, wetenschappelijk meetbaar en boven elke twijfel verheven.

Methodisch reductionisme om menselijke biochemie te onderzoeken en te begrijpen is ongelooflijk nuttig en spannend. Mijn eerste dissertatie heeft aan deze kennisbasis een bescheiden bijdrage geleverd. Voorbeelden van opgedane kennis te over:

  • voedingsadviezen ontwikkelen;
  • werkzame medicijnen bedenken, produceren en testen;
  • ziekteverschijnselen diagnostiseren;
  • sportieve prestaties begrijpen en optimaliseren;

De vraag is nu is of al deze ‘biochemische mensenkennis’ een volledig plaatje oplevert van wat het is om mens te zijn. Carl Sagan, en velen met hem, denkt van wel, zoals beschreven zijn boek Cosmos (1980; nadruk toegevoegd):

“I am a collection of water, calcium and organic molecules called Carl Sagan. You are a collection of almost identical molecules with a different collective label. But is that all? Is there nothing in here but molecules? Some people find this idea somehow demeaning to human dignity. For myself, I find it elevating that our universe permits the evolution of molecular machines as intricate and subtle as we. But the essence of life is not so much the atoms and simple molecules that make us up as the way in which they are put together.”

Wat is er mis met dit plaatje, een plaatje dat algemeen wordt omarmd in de wereld van wetenschap en filosofie? Het onderliggende en onuitgesproken filosofietje is dat alleen díe zaken die wetenschap kan ontdekken daadwerkelijk bestaan. Mikael Stenmark zegt er in zijn boek over sciëntisme (2001) dit over (nadruk toegevoegd):

“The problem is that the premise ‘Human beings are made of molecules’, does not by itself lead to the conclusion, ‘Human beings are nothing but a collection of molecules.’ It follows only if one adds the premise, ‘What science cannot discover does not exist.”

Het zo prima werkende en nuttige methodologische reductionisme wordt ‘stiekem’ ontologisch reductionisme. Kortom: een (wetenschappelijke) methode wordt allesomvattend ‘zijn’, zonder dat dat wordt uitgelegd of onderbouwd.

Wij zijn ‘plotseling’ niets anders dan moleculen en biochemie. Want wetenschap! De vraag is dan: hoe weten we dat? Nou, wetenschap!

Aj, ik ben beland in de drogreden van de cirkelredenering: alleen wetenschap ontdekt datgene wat bestaat, want wetenschap …. (In mijn Utopia and Gospel ga ik hier verder op in.)

Vandaar mijn opmerking dat het moderne gedachtegoed rondom leven en sterven geen enkele diepgang heeft. Toch wordt deze drogreden impliciet, en zeker ook expliciet, omarmd.

Het sterven van een mens wordt gezien als het radicale einde. Want: de biologie/chemie ‘houdt ermee op’, en daarin vindt ieder mens zijn onherroepelijk en definitief einde.

Dat is alleen maar waar als de mens volledig kan worden beschreven in vaststelbare meetbare biochemische termen. En dat is nou precies wat ik ter discussie stel. Genoeg; volgende punt:

“Ben ik niets meer dan ‘voer voor wormen’ na mijn dood (schimmels in dit geval), of blijft er nog wat van mij over?

Als het eerste waar is, weet ik na mijn dood niets meer en doet alles er eigenlijk niets meer toe. Twee keer niets.”

“‘weet ik na mijn dood niets’? en ik ben ‘niet meer dan voer voor wormen’ spreekt elkaar m.i. tegen: voer voor wormen heeft/is geen bewustzijn, maar de stelling dat ik na mijn dood niets meer weet gaat uit van het bestaan van ‘ik’, een ego; “Ik ben …” veronderstelt (het bestaan van) ik en je kunt alleen ‘ik’ zeggen als je je van jezelf bewust bent. “Waar ik ben is de dood niet, waar de dood is ben ik niet” (Schopenhauer). Het is (in de ‘voer voor wormen-visie’) niet zo dat ‘ik er niet meer ben’, maar dat er niets meer gezegd kan worden met betrekking tot ‘ik’, althans niet door de ‘eigenaar’ ervan. (Heel anders is dit overigens in de traditionele Chinese visie op het ‘begrip ik’, het probleem van ‘wel of niet een leven na de dood’ bestaat in die visie helemaal niet). Hier doet zich een semantisch probleem voor: Als ik dood ben en als dood zijn betekent dat je er niet meer bent, hoe kan IK dan dood zijn, hoe kan Ik (die er niet meer is) nog iets zijn…“

Hmmm. “Waar ik ben is de dood niet, waar de dood is ben ik niet.” Maar dat nu is precies mijn punt. Oftewel: is dat zo? Schopenhauer geeft hier uitdrukking aan het groeiend naturalisme/materialisme van zijn tijd die allesomvattend de onze is.

Het uitstapje naar de Chinese visie op het IK lost niets op. Hoe kan IK dood zijn, hoe kan Ik (die er niet meer is) nog iets zijn. Nogmaals, dat is precies het punt van orde in deze kwestie.

Het commentaar blijft aan de ‘buitenkant’ hangen terwijl ik nu juist de ‘binnenkant’ probeer te doorgronden. Is het zo dat IK niet meer kan zijn omdat IK dood ben? Of: is het zo dat mijn IK volledig en zonder reserve samenvalt met mijn lichamelijkheid, preciezer, met mijn materie?

En als die levende materie afsterft, wat zeker zal gaan gebeuren, is dat dan het einde van het IK, zoals ik die mijn leven lang heb ervaren? Dat is wederom exact de kwestie die ik aan de orde wil stellen. Laten we verder gaan:

“Anders gezegd: heeft waarheid eeuwigheidswaarde of heeft het een houdsbaarheidsdatum gekoppeld aan ons biologisch bestaan?”

“Als dit toewerkt naar de vraag of het waar is of er een leven is na de dood (in welke vorm dan ook) dan wil ik daar graag het volgende bij opmerken: Aangezien wij geen van allen de dood (van onszelf) ervaren (hebben) en ook geen ‘ooggetuigenverslagen’ hebben van personen voor wie dat wel geldt en die controleerbaar zijn kunnen wij m.i. op geen enkele wijze het bestaan van een leven na de dood vaststellen. In mijn visie op waarheid, die, hoe verder ook gedefinieerd, altijd gebaseerd is op een relatie tussen een (bewering van een) persoon en een (vermeend) feit (hoe moeilijk of zelfs onmogelijk ook om vast te stellen) kan dit begrip dan ook niet worden toegepast over ideeën / gedachten over een leven na de dood. Of we op de één of andere wijze in leven blijven na de dood is wel of niet een feit, het is nooit een waarheid of onwaarheid. Ik kan ‘leven na de dood’ niet anders dan als transcendentaal zien, metafysisch zo je wilt, invoelbaar wellicht, gewenst of ongewenst, troostend of beangstigend, maar niet als waarheid of onwaarheid. Deze begrippen zijn m.i. hier niet toepasbaar. Wat niet wegneemt dat wij ons dit blijven afvragen of dit zeker te menen (contradictio in terminis) weten…“

Nee, mijn vraag werkt niet toe naar de vraag of het waar is of er een leven na de dood is. Hier is het mij daadwerkelijk te doen om de millennia oude kwestie of bepaalde proposities eeuwig en onveranderlijk zijn of er nu wel of niet een universum bestaat met wezens zoals wijzelf.

Ik kan hier ophouden, maar dat doe ik niet. Het argument is: omdat er geen empirische bewijs van anderen bestaat omtrent een leven na dit leven én omdat wijzelf de dood niet hebben ondergaan met de ervaring van dat leven na dit leven is de vaststelling van een leven na dit leven onmogelijk.

Mijn waarde vriend argumenteert te snel en te eenzijdig: lange halen niet gauw thuis. Want: onze wereld is heel veel groter dan wij proefondervindelijk kunnen vaststellen (zie boven). Dat geldt ook voor vragen over leven en dood.

Als ik al toekom aan de vraag over leven dat ons biologisch bestaan zou overstijgen, zijn er andere wegen naar Rome. De weg die ik bewandel is de weg van de logica, en die is niet proefondervindelijk, en vraagt niet naar persoonlijke ervaringen (die niet te delen zijn met anderen, zoals dood gaan/dood zijn):

“Verdwijnt deze wiskundige waarheid [de stelling van Pythagoras], of welk wiskundig bewijs dan ook, als wij allemaal zijn uitgestorven, of zelfs het gehele universum is verdwenen met al het andere eventuele intelligente leven?”

Voor de goede orde, deze kwesties zijn ouder dan de wegen naar Rome van het Romeinse Rijk van weleer, en werden millennia geleden al beklopt en bevoeld door filosofen en andere mensen. We gaan verder:

“Zien wij alles wat wij als waar omarmen als afspraken tussen mensen - ‘zo zijn onze manieren’ - of stijgen waarheden, zoals de stelling van Pythagoras, boven ons bestaan uit?”

Zijn waarheden nog waar als ze niet meer waargenomen worden? Niet in mijn visie op het begrip waarheid, zie hiervoor, omdat waarheid in mijn ogen altijd een relationeel begrip is. Waarheden blijven er dus niet over als de mensheid uitsterft, de werkelijkheid wel, al moet hierbij worden opgemerkt dat ook de ‘werkelijkheid’ een menselijk begrip is. Als de mensheid uitsterft wordt er niets meer gezegd en valt er ook niets meer te zeggen. … Ik denk niet dat wij de wereld construeren in de zin van: de wereld bestaat niet echt, wij denken de wereld. Wel vermoed ik dat wij over de wereld / werkelijkheid niets anders kunnen beweren dan dat die bestaat, waarbij het begrip ‘bestaan’ niets toevoegt aan het begrip (wereld / werkelijkheid) zelf. Alle begrippen zijn menselijke begrippen, ook waarheid, werkelijkheid, wereld…. Dit ontkent niet dat er ‘iets is, iets bestaat’, het stelt wel dat wij niet over de grens van ons voorstellingsvermogen heen kunnen stappen, dat ons (menselijk) perspectief onze grens bepaalt. Wat daarbuiten valt is ‘transcendent’, onkenbaar, maar kan wel ‘zichtbaar’ worden, bijvoorbeeld in ‘het aangezicht van de Ander’ (Levinas).”

Ik haal er een paar punten uit, bijvoorbeeld: waarheid als “waarneembaar”. Dat is nogal verwarrend, want hoe moet ik waarneembaar opvatten? Te zien met de ogen, te voelen met de handen, te ruiken met de neus? Of: te doorgronden/begrijpen met het verstand, het intellect?

De tweede manier van waarnemen verschilt fundamenteel van de eerste manier. De thematiek die ik poog te bespreken draait onder andere om dit verschil.

De tweede manier van waarnemen gaat onder andere ook over de vraag of ‘wij ons brein zijn’, of juist niet. Menig neurowetenschapper legt de focus op de ‘biochemie van het brein’ (het ontologisch reductionisme), terwijl sommige filosofen op logische gronden fundamentele gebreken vaststellen in deze benadering. Zie bijvoorbeeld het werk van John Searle.

En: is het zo dat als de mensheid uitsterft er niets meer gezegd wordt en er ook niets meer valt te zeggen? Dat is een kwestie die ik nu juiste bevraag. Op z’n minst kan leven elders in het universum, als het ware, ‘ons werk continueren’.

Maar dat is een flauwe halfbakken riposte van mij.

Bedoeld wordt, denk ik, dat als het universum verdwijnt, valt er dan nog iets te zeggen of te doorgronden? Het oproepen van een multiverse verplaats de kwestie alleen maar naar andere, door ons niet gekende, universums, die ook weer aan hun einde zullen komen.

Dan blijft de vraag naar God dus over. Volgens de Hebreeuwse Bijbel spreekt de Ene. Dus het spreken valt niet stil, ook als wij er allemaal, of welke andere wezens begiftigd met intellect en zelfbewustzijn dan ook, niet meer ‘in het vlees’ zouden zijn.

Hier is een heel rudimentair begin gemaakt van het klassieke waarheidsbegrip die inderdaad relationeel van aard is, zoals Thomas Aquinas zo prachtig beschrijft.

Dat relationele is fundamenteel gegrond in God en wij zijn van Hem intellectuele beelddragers. (Voor de liefhebbers, zie het essay Truth van T.S. Tsonchev.)

Het is natuurlijk een platitude om te stellen dat ‘alle begrippen menselijke begrippen zijn’. Of toch niet? Dat wij het met óns intellect moeten doen is evident. Maar als de wereld waarin wij leven een Schepper heeft, kan ons intellect en ons begrip waarmee we ‘het moeten doen’ groots verrijkt worden met openbaring van de Ene.

Dat is geen stellig of finaal antwoord, maar een logische mogelijkheid die niet a priori kan worden afgewezen. In openbaring kan de wereld, zoals door ons zeer ten dele gekend via onze zintuigen en ons intellect, plotseling ‘open gemaakt worden’ tot iets ongedacht en ongezien.

Uiteindelijk, denk ik, gaan de vele vragen van waarde vriend over de kwestie of onze wereld, wijzelf incluis, monistisch is -uit éeen stuk te weten materie- of dualistisch -bestaande uit materie en ‘mind’.

Het voert te ver om ook deze grote kwestie aan te pakken. Het leesbare en toegankelijke werk van Edward Feser is in dezen zeer aan te raden.

Tot zover dus. Ik hoop van harte dat mijn klantenservice een voldoende heeft gescoord. Ik zal binnenkort wel een after-sales gesprek hebben met waarde vriend. Want commentaar zal ongetwijfeld mijn deel zijn. En zo hoort het ook …


© 2019. All rights reserved.