Kritische depositiewaarden zijn niet geschikt voor natuurbescherming en -instandhouding

Natuurbescherming en -instandhouding zijn belangrijke doelstellingen. De vraag is: hoe dát goed te doen?

Nederland kiest in hoofdzaak voor depositiemodellering van stikstof (verbindingen) in combinatie met Kritische Depositiewaarden (KDW) en de eventuele depositie-overschrijdingen daarvan.


Mijn stelling: dit is een zeer kostbaar vraagstukbenadering met onzekere en onduidelijke resultaten en gevolgen.

Dit zegt het PBL ten aanzien van hun rapport Naar een Uitweg uit de Stikstofcrisis in de presentatie van 14 oktober 2021 (met nadruk:

(Vanaf 7.00 min): “… Wat we zien is, dat we in de huidige aanpak geen garantie zien dat de reductie van stikstof ook leidt tot kosteneffectief natuurherstel.De huidige aanpak riskeert lastig uitlegbare resultaten. We besteden miljarden aan de aanpak en daarmee weten we niet of we op kosteneffectieve manier natuurkwaliteit verbeteren. … Als natuurkwaliteit centraal wordt gesteld, dan kan het kosten effectiever. … KDW is geen maat voor de staat van de natuur.

Het PBL doet hier bepaald geen nieuwe of bijzondere uitspraken, maar we hebben het er liever niet over: de KDW zullen nooit bieden wat ze ‘beloven’.

Anders gezegd, het ‘halen’ van een KDW heeft geen voorspellende ‘natuurwaarde’ voor de habitats in kwestie, aldus het PBL.

Mijn positie gaat een stuk verder.

KDW is ten diepste een denkconstruct met, zoals Alfred North Whitehead het noemt, een misplaatste concreetheid. Klinkt ingewikkeld, maar dat valt reuze mee.

Voorbeeld: een thermometer kan mij met precisie vertellen dat ik mijn huid zál verbranden aan water boven de 45°C. Dat hoef ik niet uit te testen! Ik weet dit omdat water boven de 45°C de huid aantast op een specifieke chemisch-fysische manier.

KDW zijn geen thermometers die ik in habitats ‘prik’ om de ‘stikstoftemperatuur’ te meten. Er wordt niets gemeten met KDW.

Een KDW-getal echter - 1000 mol/ha/jaar, ik noem maar een getal - zegt niets over feitelijke en toekomstige risico’s - zoals het verbranden van mijn huid aan water boven genoemde temperatuur - voor een habitat in relatie tot stikstofdepositie ‘boven’ of ‘onder’ dat getal.

Maar dat suggereren KDW wel. Zie mijn bijdrage voor uitleg.

Waarde collega Wim de Vries, ik citeer hem hier, heeft het in het ND van 8 februari jl. over de “integrale transitie van de landbouw” dat vele voordelen met zich mee zou brengen, inclusief hogere voedselprijzen.

Als gewezen pleegouder vind ik dit een schokkende gedachte, onder andere in het licht van de hoge inflatie en beseffend dat velen een fors lager inkomen hebben dan ikzelf.

Hoe dat ook zij: voorgestelde transitie zal, bij uitvoering, een exercitie zijn die een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal mislukken, ten koste van heel veel. En dat is iets dat we al heel lang heel goed begrijpen.

Ten eerste omdat gecombineerde expertkennis, dus ik moet hier voorzichtig zijn, op geen enkele manier op kan tegen de ‘lokale kennis’ van talloze mensen werkzaam in de landbouw of willekeurig welke andere sector.

Ten tweede omdat de beleidsrisico’s, die altijd aanwezig zijn, liggen bij diegenen die het rechtstreeks aangaat, niet de experts, dus ook niet bij mij.

Het eerste punt - lokale kennis versus expertkennis - is feilloos belicht door Leonard E. Read (1898–1983) in zijn essay Ik, Potlood. Een potlood is een simpel stukje techniek die vrijwel iedereen in huis heeft en gebruikt.

Maar: niemand weet hoe een potlood wordt gemaakt.

Read neemt ons mee langs het duizelingwekkende productieproces die gaat van het mijnen van ijzererts en andere metalen zoals koper, de complexe productie van bijlen en motorzagen, het vakmanschap van houtvesters, tot aan de bedrijfsvoering van zagerijen, en nog heel veel meer.

Al die lokale kennis van talloze mensen in het hele potloodproces kan nooit worden vervangen door expertkennis. Ik kan misschien een bijl hanteren, maar ijzererts delven gaat mijn kennis en kunde ver te boven, laat staan dat ik een staalfabriek zou kunnen bouwen om ijzererts om te vormen tot staal.

Dus de notie van een integrale landbouw transitie in hoofdzaak gedreven door expertkennis - KDW! - behelst een ongefundeerde overschatting van die expertkennis, met grote risico’s die voortkomen uit voorgestelde transitie.

Dat brengt mij bij het tweede punt.

Als experts het bij het verkeerde eind hebben - en dat kan altijd, want wetenschap grossiert nooit in zekere kennis - zijn zíj níet diegenen die schade lijden als gevolg van de verkeerde beleidsadviezen.

Dit is uitdrukkelijk geen moreel verwijt, maar een feitelijke constatering.

Wetenschappelijke kennis groeit, verandert, ontwikkeld, staat dus nooit stil. Dat maakt dat expert adviezen niet meer zijn dan een momentopname van een klein hoekje van een continue in beweging zijnde veel grotere werkelijkheid.

Experts hebben dus maar weet van een specifiek ding in een groot complex van heel veel dingen en hebben daarmee geen ‘skin in the game’.

Natuurlijk, zij hebben hun onderzoekseer vanwege hun jarenlange betrokkenheid bij en invloed op het onderzoeksveld, om met de bekende wetenschapssocioloog Robert Merton te spreken.

Dat wordt, begrijpelijk, als een voordeel gezien - onafhankelijkheid is een schaars goed - maar is in het stikstofdiscours een heel groot probleem.

Waarom?

Omdat stikstof/natuurbeleid in hoofdzaak gedreven wordt door expertkennis, die noodzakelijkerwijs sterk reductionistisch en dus zeer beperkt van aard is. KDW zijn daarvan een precies voorbeeld.

Dat is wederom geen verwijt maar een feitelijke constatering.

Dan dringt zich de vraag op: bij wie zoekt de Kamer en het Kabinet eigenlijk draagvlak voor haar exceptioneel kostbaar stikstofbeleid waarvan we hebben vastgesteld dat de uitkomsten uiterst onzeker zijn? Bij experts, die bij uitstek en noodzakelijkerwijs geen ‘skin in the game’ hebben, of bij burgers die dat maximaal wél hebben?

De vraag stellen is haar beantwoorden.

Het noodzakelijk geachte stikstofbeleid is in feite een uiting van de Nirvana drogreden, om met James R. Otteson te spreken. Immers, de ongerealiseerde ‘KDW-conforme stikstofsituatie’ wordt ex cathedra als veel beter verklaard dan de bestaande werkelijke situatie.

Collega de Vries bijvoorbeeld heeft het, ik citeer hem hier nogmaals, over het verminderen van “negatieve effecten van te veel stikstof, fosfaat en broeikasgassen op klimaat, luchtkwaliteit, waterkwaliteit en gezondheid”.

Echter, de ongerealiseerde KDW-conforme stikstofsituatie is letterlijk fictief van aard; het bestaat (nog) niet.

Bovendien, ik spreek hier als risico expert, zijn er helemaal geen maatschappij-brede kosten/baten afwegingen gemaakt van het voorgestelde stikstofbeleid.

Geen onduidelijkheid hierover: elk beleid brengt maatschappelijke kosten met zich mee die kunnen resulteren in verlies aan gezonde levensjaren van velen!

Ik heb begrepen dat in december 2020 daarover een motie in de Tweede Kamer is aangenomen. Het lijkt mij een minimale vereiste dat die motie ten volle wordt uitgevoerd.

Afsluitend: als expert kan mijn ideeënwereld nooit belangrijker zijn dan de mensen die ik behoor te bedienen met mijn beperkte (expert)kennis. Het expert-zijn is een oefening in bescheidenheid. Dat vraagt soms om een kritisch debat, met díegenen voor ogen die de resultaten van het expert gedachtegoed ‘moeten’ ondergaan.


© 2022. All rights reserved.