Stikstof en Utopia - vingeroefeningen in doemdenken

De agrariër als vijand van de natuur. Want stikstof. Een beeld dat gebleven is sinds de ondergang van das Waldsterben verhaal uit de jaren 70 van de vorige eeuw.

Om dat te begrijpen moeten we ons verdiepen in het utopische doemdenken.

De onderbuik van Utopia - schaarste, angst en macht - is namelijk ‘zwanger’ van het doemdenken dat veel ‘kinderen’ ter wereld kan brengen.

De noodzakelijk geachte massale ‘correctie’ van de samenleving om het hoofd te bieden aan ‘gevaarlijke’ klimaatverandering, bijvoorbeeld, is overbekend nageslacht van het utopische doemdenken.

Doemdenken fixeert ons blikveld; het is een tunnelvisie waarin het huidige en toekomstige leven maar op één utopische manier kan worden begrepen: dialectisch. Dat wil zeggen: slecht/goed, wit/zwart, vriend/vijand, voor/tegen.

Utopisch doemdenken kan dan ook niet bestaan zonder vijanddenken.

Uiteraard heeft vijanddenken een vijand nodig; een zondebok. Die verschijnt altijd als vanzelf in een samenleving waarin doemdenken groeit. (Zie ook deze recente update.)

Verhalen die utopisch doemdenken in het leven roept zijn immuun voor de realiteit. Als de werkelijkheid afwijkt van het dwingende utopische doemdenken, dan hebben we de realiteit niet goed begrepen en behoeft die aanpassing.

Of zoals Eric Arthur Blair - George Orwell - het verwoordt in zijn 1984:

“The Party told you to reject the evidence of your eyes and ears. It was their final, most essential command.”

Deze karakteristieken zal ik met behulp van de veelbesproken ‘stikstofcrisis’ trachten te verhelderen.

De meest recente en draconische denkwijze om de ‘crisis in de natuur’ een halt toe te roepen via onteigening van boeren, is utopisch doemdenken in een notendop mét bijbehorende vijand - de agrariër.

Om dit allemaal bij elkaar te brengen moeten we eerst de ‘utopische schijnwerpers’ richten op de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw.


“Wir stehen vor einem ökologischen Hiroschima” (Der Spiegel, 1983, 7, p. 72). Er staat ons een ecologisch Hiroshima te wachten.

Bernhard Ulrich (1926-2015), een bodemchemicus van de universiteit van Göttingen, sloeg zo’n halve eeuw geleden groot alarm in Duitsland.

De bossen zouden namelijk bij bosjes afsterven, massaal verdwijnen. Althans dat was het verhaal dat aansloeg bij velen in de Westerse wereld in de jaren zeventig.

Het afschrikwekkende beeld van het door Little Boy weggevaagde Hiroshima zou het onvermijdelijke voorland zijn van de bossen in de wereld.

Sterker: “Erst stirbt der Wald, dann stirbt der Mensch”

Ulrich meende de oorzaak van de aangekondigde massale sterfte van bossen - das Waldsterben - te hebben gevonden: zure regen. In 1981, in het blad Der Spiegel (nummer 47, p. 99), merkte hij op dat:

“Die ersten grossen Wälder werden schon in den nachsten fünf Jahren sterben. Sie sind nicht mehr zu retten”.

Ook de Nederlandse bossen liepen gevaar, aldus onderzoekers uit die tijd. Dat kwam allemaal doordat de bodem verzuurde door zure regen, met als gevolg dode bomen.

Een heuse ‘milieu-angst’ van mondiaal formaat was geboren. Het zou historisch gezien als voorloper beschouwd kunnen worden van het huidige klimaat narratief, het grote verhaal van kooldioxide uitstoot en gevaarlijke klimaatverandering.

Het doemdenken van een verzuurd milieu en totale kaalslag van de natuur, door de uitstoot van zwaveldioxide, stikstofoxiden, en ammoniak (landbouw!), greep snel om zich heen.

Kort samengevat: de bossen zouden ten onder gaan als gevolg van onze moderne productie technologieën en onze buitensporige consumptie patronen.

Achteraf bezien was dit perspectief lastig te herformuleren in een aanwijsbare zondebok. Immers, iedereen maakt deel uit van de ‘vermaledijde’ productie- en consumptiemaatschappij.

Desalniettemin, ‘Stop zure regen’ wordt het Nederlandse devies met onderstaande poster als boegbeeld van het ‘zure doemdenken’.

Zorgen voor Morgen - Nationale milieuverkenning van 1985 – 2010, een RIVM milieurapport uit 1988, meldt het volgende over de Nederlands bossen (p. 112; nadruk toegevoegd):

“De vitaliteit van bossen was vanaf 1983/1984 tot en met 1986 steeds dalende (Anonymus, 1985-1987). Waarschijnlijk onder invloed van het natte weer is van 1986 op 1987 voor sommige boomsoorten enig herstel geconstateerd. Over de afgelopen vier jaren is de som van weinig en niet vitaal bos gestegen van 9,5% naar 21,3%. Deze verslechtering vindt zowel in naaldbossen als in loofbossen plaats. Meer dan de helft van het Nederlandse bos is niet meer vitaal.”

Enfin, we kennen de afloop van de massale bossterfte en de zure regen. Das Waldsterben bleek een deconfiture, een wetenschappelijk geïnitieerde paniekaanval.

Collega Verstegen schreef ooit in Trouw over de geschiedenis van bossen (met de prachtige titel En eeuwig zingen de bossen; 9 december 1995; nadruk toegevoegd):

“Sommige streken in Europa kampten daarom na de Middeleeuwen met een chronisch houttekort. Dit tekort werd tot aan de negentiende eeuw alleen maar groter. Deze tijd is daarom wel gekenschetst als de ‘eerste grondstoffencrisis’.

Die crisis trof ook Nederland. De Veluwse zandverstuivingen, nu bekende natuurmonumenten, danken hun ontstaan aan het kappen van bossen voor de ijzer- en wapenindustrie in de tijd van Karel de Grote en zijn opvolgers. De hier aanwezige ‘klapperstenen’ bevatten ijzeroer, de bossen leverden de houtskool. Door het weiden van schapen en de voortdurende roofbouw op de bossen werd Oost-Nederland herschapen in een armzalig heide- en stuifzandgebied. Door het afplaggen van de heide werd herstel van de vegetatie onmogelijk gemaakt. Onze mooiste natuurgebieden zijn het resultaat van eeuwenlange roofbouw.”

Niets nieuws onder de zon dus. Door alle tijden heen hebben mensen kleine en grote invloeden gehad op de leefomgeving, vaak dichtbij en soms verder weg. Soms ten goede, soms ook niet (zie bijvoorbeeld Shepard Krech’s The Ecological Indian uit 1999).

Het utopische doemdenken dwingt ons echter de geschiedenis radicaal anders te zien. Doemdenken maakt heden en verleden namelijk per definitie afkeurenswaardig, ‘vijanden’ die ‘verslagen’ moeten worden.

Daarmee wordt het dualisme van het dreigende en gevaarlijke verleden/heden en de glansrijke utopische toekomst geïntroduceerd. Zoals ik in deel I van deze serie opmerkte:

“Ten diepste is Utopia een snoeiharde (morele) kritiek op het bestaande maatschappelijke bestel die als mislukt wordt beschouwd.

Alle misstanden en alle ellende van de oude samenleving zullen volledig en definitief overwonnen zijn in de utopische samenleving, zo is de gedachte.”

Het wetenschappelijk onderzoek, dat leidend was in het ‘zure doemdenken’, werd bijgevolg ingeklemd in een onveranderlijk utopisch perspectief.

Onderzoek dus ‘gevangen’ in een tunnelvisie die de blik gefixeerd had. Gevolg: de gebezigde zure-regen hypothese duldde geen concurrentie of tegenspraak.

Dat is eenvoudig te illustreren aan de hand van de onderzoeksvragen die werden opgeworpen door het Additioneel Programma Verzuring in de jaren 80 (Eindrapport tweede fase APV, 1991, rapport no. 200-09, p. 3; nadruk toegevoegd):

“(i) Welke stoffen zijn in welke mate verantwoordelijk voor de schade, veroorzaakt door “zure regen”; (ii) Hoe (langs welke wegen en op welke manier) wordt deze schade veroorzaakt; (iii) Wat is de effectiviteit van de bestrijdingsmiddelen.”

Zure regen schade was een feit; de bossen waren gedoemd te verdwijnen. Daar kon geen (wetenschappelijke) twijfel over bestaan.

Vandaar ook dat het 20ste eeuwse Waldsterben-verhaal zo grotesk overkomt in het licht van het Europese bosverleden én het onverminderde voortbestaan van deze ecosystemen (zie verder mijn werk uit 2005 met collega’s Verstegen en Vera-Navas).

Niet omdat bossen niet zouden kunnen verdwijnen - de Europese geschiedenis leert juist totaal anders! - maar, nogmaals, omdat wetenschappelijk onderzoek onderworpen werd aan de inflexibele tunnelvisie van het utopische doemdenken.

In 1995 moest Ulrich echter met veel moeite en omhaal van woorden afscheid nemen van das Waldsterben verhaal. Immers, de bossen stonden er nog en namen zelfs in omvang toe (nadruk toegevoegd):

“… The null hypothesis (no effects of air pollutants on forest ecosystems) can be considered to be falsified. Forest ecosystems are in transition. The current state of knowledge is not sufficient to define precisely the final state that will be reached, given continuously changing environmental conditions and human impacts. The hypothesis, however, of large-scale forest dieback in the near future is not backed by data and can be discarded.”

Niet verbazingwekkend nam Ulrich geen afscheid (moest dat dan?) van de idee dat luchtverontreiniging invloed heeft op bosecosystemen.

Ondanks de ondergang van das Waldsterben verhaal, is het utopische natuur doemdenken springlevend.

Nogmaals: het utopische doemdenken staat vijandig tegenover de realiteit van heden en verleden.

Het nieuwe natuur-doemdenken richt zich nu vrijwel volledig op de Nederlandse landbouw met bijbehorende stikstofuitstoot.

Dát biedt ook veel meer kansen voor een aanwijsbare zondebok - de agrariër.

Natuurkwaliteit en stikstofdepositie worden in wetenschap en beleid gemakshalve dan ook maar in een omgekeerd evenredig verband geplaatst: meer stikstofdepositie van hoofdzakelijk de landbouw, minder natuur en vice versa.

De recente en terechte poging van het PBL om stikstofdepositie kritisch af te waarderen heeft tot op heden nog geen wijziging gebracht in dit bekrompen en onverdedigbare stikstof-natuurkwaliteit narratief.

En waarom zouden politici daarin willen veranderen? Het vijanddenken van het utopische doemdenken werkt! De agrariër wordt al zo’n halve eeuw lang keer op keer op éénzelfde manier afgeschilderd: als vijand van de natuur.

Afsluitend, hoe kan het stikstof-natuur-doemdenken in leven worden gehouden? Door niet naar de werkelijkheid te kijken!

Zó werkt Utopia: het utopische verhaal staat altijd boven de realiteit. Niets kan de utopie doorkruisen; ook de realiteit niet. Zoals laatst in het NRC, onbedoeld, zichtbaar werd gemaakt, zowel in de titel - ‘Die stikstofcrisis is ons aangepraat’ - als in de tekst zelf:

“… Maar wie zegt dat mijn stikstof daar neerkomt, vraagt Arie van Dam [varkenshouder] zich af. „Dat weet je alleen door het te meten.”

Voor het eerst deze middag is de topambtenaar het echt met de boer eens. De stikstof-neerslag wordt te veel berekend via statische modellen, zegt Zoon, dat moet veranderen. „Wij willen ook veel meer gaan meten waar het neerkomt.”

Onwetend stipt de topambtenaar nu juist datgene aan wat het zo zorgvuldig gecultiveerde utopische stikstof-natuur-doemdenken, met de agrariër als vijand, bedreigt: de realiteit.

Ik ben dan ook reuze benieuwd of de suggestie van ‘meer meten’ ver genoeg kan komen in de Haagse burelen. Wij moeten ondertussen verder met de gang langs Utopia …


© 2019. All rights reserved.