Natuur en stikstof - tijd voor verdieping

We hebben de stikstof-commissies Remkes en Hordijk achter de rug. Het lijkt vergeten in de virale orkaan die ons allemaal in het oog vasthoudt. Naast de persoonlijke storm die mijn eigen leefwereld door elkaar heeft geschud.

Maar alle maatschappelijke ontwrichting ten spijt als gevolg van de coronamaatregelen, stikstof blijft op de agenda.

Dat laatste geldt ook voor uw waarde blogger. Als gewezen lid van de commissie Hordijk blijf ik, als relatieve buitenstaander, met belangstelling de stikstofoperette volgen.

Ter verduidelijking: met buitenstaander bedoel ik hier dat ik nooit betrokken ben geweest bij langjarig academisch stikstofonderzoek in binnen- of buitenland.

Neemt niet weg dat ik met collega’s gepubliceerd heb over met name ammoniak uitstoot en atmosfeerconcentraties. Dat heeft geleid tot veel discussie en kritiek met bijbehorende antwoorden van onze kant, zoals het hoort.

In al het commissie- en mediageweld blijft een belangrijk onderwerp onaangeroerd: de effecten van de depositie van stikstofverbindingen op ‘de natuur’ in Nederland.

Natuur. Een glibberig begrip. Maar voordat we dat op de korrel nemen, eerst iets heel anders, maar toch ook weer niet. Op 3 november kwam minister Schouten (LNV) met antwoorden op vragen van Baudet (niet meer FvD, of toch weer wel(?); 2020Z19250).

Vraag 2 van Baudet is ‘to the point’, maar het is vooral het antwoord van de minister die de wenkbrauwen doet fronsen. Vooral wat de minister niet zegt is boeiend. Dit is de vraag: “Waarom wordt het stikstofbeleid van het kabinet (uitsluitend) gebaseerd op het model AERIUS?” De minster zegt (nadruk toegevoegd):

“AERIUS is het rekeninstrument voor de leefomgeving en bestaat uit meerdere producten, elk gericht op een specifieke gebruikerstaak. Voor de doorrekening van het maatregelenpakket van het wetsvoorstel Stikstofreductie en natuurverbetering wordt binnen AERIUS gebruikgemaakt van het Operationele Prioritaire Stoffen model (OPS). Dit model rekent alle emissiebronnen door, inclusief autonome ontwikkelingen, op nationaal niveau. Het voordeel van dit model, in tegenstelling tot het gebruik van de in het bericht genoemde andere modellen zoals EMEP en LOTOS-EUROS, is dat OPS gedetailleerde lokale berekeningen kan uitvoeren (op hexagoonniveau van 1 hectare). Dit detailniveau is nodig om ten behoeve van natuurvergunningverlening de depositie van stikstof te kunnen berekenen. Dit is een gevolg van de eisen die de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn stellen aan natuurbehoud, waar stikstofdepositie van invloed op is. Een ander voordeel van OPS is dat wordt bijgehouden hoeveel iedere bron bijdraagt aan depositie (op dat hexagoonniveau van 1 hectare). Deze functionaliteiten maken OPS uniek en daarom geschikt voor gebruik in AERIUS, het rekenmodel voor natuurvergunningen. EMEP en LOTOS-EUROS kennen deze functionaliteiten niet op dit detailniveau: ze rekenen op een schaal van een vierkante kilometer. Dat maakt voor de Nederlandse situatie OPS het beste toepasbaar en maakt dat er gericht gecompenseerd kan worden in plaats van voor een veel groter gebied, wat meer stikstofreductie vereist.”

Zeker kan het OPS model rekenen op hexagoon-niveau. Maar dat is het punt helemaal niet. Want de minister verzwijgt iets cruciaals in haar antwoord. Ik laat het eindrapport van de commissie Hordijk - Meer meten, robuuster rekenen - aan het woord (p.15-16; nadruk toegevoegd):

De mate van detail in AERIUS-berekeningen is volgens het adviescollege niet in balans met de grote onzekerheden die het gevolg zijn van onze beperkte kennis van de fysisch-chemische processen die alleen sterk versimpeld kunnen worden meegenomen. Processen als uitstoot, verspreiding en depositie zijn bij de modellering altijd een versimpeling van de werkelijkheid. Als voorbeeld rekent AERIUS de verdunning en depositie tussen de bron en het ontvangende hexagoon uit afhankelijk van een beperkte steekproef van het tussenliggende landgebruik, hetgeen veel detail impliceert. Daarentegen is de onzekerheid in de depositieberekeningen zelf zeer groot. Verder wordt er gerekend met een beperkt aantal landgebruiksklassen, hetgeen de werkelijkheid niet kan benaderen. Deze manier van berekenen levert daardoor een schijnzekerheid op. Hier lopen wetenschap en beleid te sterk door elkaar: omdat het technisch gezien mogelijk is in groot detail te rekenen, wordt dit in het beleidsinstrument toegepast zonder een goede afweging of de berekening de werkelijkheid weergeeft en het bijdraagt aan de totale kwaliteit van de berekening. Daarnaast komt een dergelijke methode de transparantie van het AERIUS-systeem niet ten goede, wat leidt tot veel vragen bij de gebruikers.

Het adviescollege beoordeelt dat de huidige rekenmethodiek die wordt toegepast binnen AERIUS leidt tot schijnzekerheid en onvoldoende robuust is.

Juist ja. Groot detail niveau gaat dus gepaard met grote onzekerheid! Deel één - detailniveau - wordt met enthousiasme door de minister onderstreept.

Over deel twee - onzekerheid; de commissie heeft het zelfs over “schijnzekerheid” - zwijgt de minister in alle talen. Sterker, de commissie Hordijk stelt het volgende wat betreft AERIUS (p.16; nadruk toegevoegd):

“Het adviescollege concludeert samenvattend dat de huidige rekenmethodiek die wordt toegepast binnen AERIUS op dit moment niet doelgeschikt is. De mate van detaillering in de berekening van de depositie is niet in balans met de onzekerheid van de verschillende factoren die de depositie bepalen en er is ongelijkheid in de beoordeling van verkeersbijdrage ten opzichte van andere bronnen.”

Moet ik dit allemaal nog uitleggen, of gelooft de lezer het zo ook wel? Worden rapporten van adviescolleges wel gelezen (door ministers, de media, politici, enzovoort)? Heeft het wel zin om zitting te nemen in dergelijke colleges? Ik laat de antwoorden op deze vragen maar in het midden.

Ik begrijp het wel. Ministers, bestuurders in het algemeen, hebben andere verantwoordelijkheden dan onderzoekers. Dat is de gemakkelijke uitweg hier.

Maar: waarom onderzoekers gevraagd om te oordelen over dit soort zaken? Nou, simpel. Wetenschappelijk onderzoek en de resultaten daarvan worden te pas en te onpas ingezet ten behoeve van beleid, zoals de stikstofregelgeving.

Dus: een gewogen oordeel over bijvoorbeeld AERIUS, een complex wetenschappelijk instrument dat ingezet wordt in onder andere beleid en vergunningverlening, vraagt dat onderzoekers met kennis van zaken daar naar kijken.

Dan lijkt het me duidelijk dat de minister het hele oordeel van de commissie Hordijk over AERIUS had moeten bespreken in het antwoord aan Baudet. Dus niet. (Er staat nog meer in het eindrapport hierover, dus lezen dat ding!)

En wat dan nog geachte lezer? Wél of helemaal níet nauwkeurig en op detailniveau berekend, er komt veel te veel stikstof op de Nederlandse natuur en dus moet de landbouw krimpen. Of zoiets. Toch?

Een dergelijke doorsnee visie kan altijd worden onderstreept met het altijd weer oh zo handige voorzorgprincipe. Daar grijpt de commissie Hordijk dan ook op terug in haar eindrapport (p.14; nadruk toegevoegd):

“In de berekenketen tussen emissie en depositie bestaat een aantal onzekerheden: in de beleidstoepassing van AERIUS Calculator worden kleine verschillen in concentraties en depositie berekend op basis van emissies van projecten. Daarbij wordt een zeer lage drempelwaarde gebruikt om vast te stellen of een project significant bijdraagt aan de depositie. Dit is een dusdanig lage waarde dat die meet-technisch niet aan te tonen is op enige afstand van een project. Dit levert schijnnauwkeurigheid op, omdat er onvoldoende informatie is om op de gevraagde ruimtelijke schaal de berekening met voldoende nauwkeurigheid uit te voeren. De onzekerheid in de berekening is veel hoger dan de gestelde drempelwaarde. Voor een beleidstoepassing is deze praktijk desondanks nodig, om te voorkomen dat veel kleine extra emissies bij elkaar opgeteld tot een grote stijging van de depositie leiden. Een beoordelingsdrempel gebaseerd op de modelonzekerheden op lokale schaal is voor beleidstoepassingen niet werkbaar. Het is uiteindelijk aan de eigenaar van het systeem of de mate van onzekerheid vanuit beleidsperspectief opweegt tegen bijvoorbeeld het voorzorgsprincipe. Dat kan een reden zijn om het systeem met bijbehorende onzekerheden alsnog voor beleidstoepassingen in te zetten.”

Het voorzorgprincipe wordt dus opgevoerd in het eindrapport van de commissie Hordijk om de onmeetbaar lage drempelwaarde, die met grote onzekerheid wordt berekend, toch als bruikbaar in te zetten in het af- of toewijzen van projecten. Bij twijfel, niet inhalen dus.

Waarom? Alle kleine beetjes minder stikstofdepositie helpen, zo is de gedacht, hoewel je die kleine beetjes slechts heel onnauwkeurig kunt berekenen en al helemaal niet kunt meten!

Elk rapport heeft zwakke punten en dit is voor dit rapport de meest opvallende! Daar heb ik de voorzitter ook uitdrukkelijk op gewezen voordat het rapport gefinaliseerd werd. Helaas. Can’t win them all.

Ik zal de lezer de technische aspecten van de hier misplaatste inzet van voorzorg besparen. Dat is voor een ander moment. Maar: het gebruik van het voorzorgprincipe biedt een uitgelezen kans om verder in het troebele stikstofdossier te duiken.

De toepassing van het voorzorgprincipe is namelijk geen carte blanche, maar gaat gepaard met een aantal voorwaarden, zoals vastgelegd in het 2000-document van de de Europese Commissie. Een belangrijke voorwaarde is dat toepassing van voorzorg samengaat met:

“… een onderzoek naar de mogelijke voordelen en kosten van wel of niet handelen (waaronder indien wenselijk en uitvoerbaar een economische kosten-batenanalyse) …“

Dat gaan we dan maar oppakken, want een maatschappelijke kosten-baten analyse van de instandhouding en verbetering van Natura2000 gebieden in Nederland is nog nooit uitgevoerd. Daar ga ik een volgende keer verder op in.


© 2019. All rights reserved.