Utopia of de zoektocht naar de essentie van deze tijd - II

In de vorige blogpost, enkele openingszetten van een essay in wording, gaat het over utopische holistische maakbaarheid. Onze samenleving ‘behoort’ van de kelder tot de zolder utopisch verbouwd te worden. Waarom? Er is nu ‘van alles mis’ met onze maatschappij: COVID-19, oorlogsdreiging, immigratie, klimaatverandering, armoede, honger, stikstofcrisis, woningnood, en ga zo maar door. En: we moeten het ‘knutselen’ voorbij, zo is de gedachte. Maar, wat schuilt er onder de oppervlakte van Utopia? Deel twee van mijn vingeroefening.


Even terug in de tijd. Meer dan zes jaar gelden heb ik een boek afgerond; een dissertatie met de ronkende titel Utopia And Gospel - Unearthing The Good News In Precautionary Culture.

Waarom zo’n wetenschappelijk boek geschreven? Een doctorstitel had ik al. Bovendien: maar weinigen zullen een (veel te) dik boek willen lezen. Geef hen eens ongelijk!

Na ruim zes jaar doe ik een poging een begin te maken met een hertaling van mijn boek. Om mijzelf het een beetje gemakkelijk te maken, zal ik stapsgewijs de essay die ik voor ogen heb in een serie blogposts publiceren.

Een vorm van uitstelgedrag, maar dan anders.

Hoe dat ook zij, op een zondag in april 2006 kwam bij mij een vraag op die mij sindsdien niet meer heeft losgelaten:

Waarom wordt er zo onnoemelijk veel geld, tijd, menskracht, onderzoek, bestuur, enzovoort besteed aan het verkleinen of uitbannen van steeds meer en omvangrijk gedachte risico’s die zich ook nog eens op een steeds langere tijdschaal afspelen?

Mijn vermoeden sinds die bewuste zondag is dat deze groeiende inspanningen betrekking hebben op de bezwering van angst.

Angst voor wat of wie? Angst voor gebrek (schaarste); angst voor ziekte; angst voor lijden; en vooral angst voor de dood.

Deze fundamentele kwestie - angst - die in de samenleving overal zichtbaar is, sluit aan bij de onderhuidse logica van de utopie. Laten we die (historisch gegroeide) logica eens onder de loep nemen. Er valt veel te zien en veel te leren.

Een fundamentele drijfveer van Utopia is schaarste, gebrek.

In Europa, de bakermat van het moderne Utopia, is de utopie hét schijnbaar vertrouwenwekkende antwoord op de desastreus verlopen (late) Middeleeuwen.

Barbara Tuchman’s De Waanzinnige Veertiende Eeuw (1980) is één van de beste boeken over de rampen die Europa toen trof, waarvan de grote pestepidemie (1347-1352) natuurlijk de allergrootste en dodelijkste catastrofe was (nadruk toegevoegd):

“Op het platteland vielen de boeren dood neer op de wegen en de velden of in hun huizen. De overlevenden, die zich steeds machtelozer voelden, werden apathisch en lieten het rijpe koren op de akkers staan en het vee verkommeren. … De schaarste aan arbeidskracht was een angstig vooruitzicht omdat de veertiende eeuw voor de voedselvoorziening en het zaad voor het volgende jaar afhankelijk was van de jaarlijkse oogst. ‘Er waren zo weinig bedienden en werklieden overgebleven dat geen mens wist waar hij hulp vandaan moest halen,’ …. Het besef van een verdwijnende toekomst schiep een soort wanhoopswaanzin. Een Beierse kroniekschrijver uit Neuburg aan de Donau vertelde dat ‘mannen en vrouwen… ronddoolden alsof zij krankzinnig waren’ en hun vee lieten rondzwerven ‘omdat niemand enige neiging vertoonde zich om de toekomst te bekommeren’. De akkers werden niet bebouwd en in de lente werd er niet gezaaid. Met de ontzagwekkende kracht die de natuur eigen is overwoekerde het onkruid de ontgonnen gronden, dijken brokkelden af, het zoute water stroomde weer binnen en maakte het laaggelegen land brak. Er waren zo weinig handen om het werk van eeuwen weer op te bouwen dat de mensen dachten dat de ‘wereld haar vroegere welvaart nooit meer terug zou krijgen’ ….”

Schaarste, die in de 14de eeuw de Europese bevolking zo keihard trof, geeft Utopia haar ogenschijnlijke glans, juist vanwege het ondraaglijke heden. Daar was 7 eeuwen geleden niets imaginairs aan. De menselijke, maatschappelijke, economische, culturele verliezen waren destijds immens.

Naast de niet geringe pestepidemie speelde de Honderjarige Oorlog zich voor een groot deel af in diezelfde veertiende eeuw (1337-1453; de reeks oorlogen strekten zich uit over een periode van maar liefst 116 jaar).

De tegenstelling tussen het afschrikwekkende heden en de beter gedachte toekomst wordt wel de utopische dialectiek genoemd.

Het als verschrikkelijk ervaren nu maakt dat de utopie van morgen een grote en voor de hand liggende aantrekkingskracht heeft.

Schaarste, reëel (zoals in de 14de eeuw en daarna) maar ook denkbeeldig, gaat natuurlijk gepaard met de eerder benoemde angst, een andere belangrijke utopische drijfveer. Tuchman daarover:

“De onwetendheid met betrekking tot de oorzaak [van de pest] vergrootte de gevoelens van angst en afschuw. Van de werkelijke overbrengers, de ratten en de vlooien, had men in de veertiende eeuw geen vermoeden, wellicht omdat de aanwezigheid van deze dieren zo gewoon was. … De vijand in spookgedaante had geen naam. Tijdens de eerste epidemie stond hij eenvoudigweg bekend als de Pest of de Grote Sterfte en werd pas bij latere epidemieën de Zwarte Dood genoemd. Verhalen uit het oosten, aangedikt door angstige fantasievoorstellingen, vertelden van vreemde stormen en ‘vuurzeeën’, vermengd met hagelstenen die ‘vrijwel iedereen doodden’, of van een ‘reusachtige vuurregen’ die mensen, dieren, stenen, bomen, dorpen en steden verbrandde. In een andere versie brachten ‘vreselijke windstoten’ afkomstig van de vuurregens de infectie over naar Europa ‘en thans komt zij, zoals sommigen vermoeden, om de zeekusten heen’. …”

Angst en schaarste. Twee nauw verbonden drijfveren die Utopia tot wasdom hebben gebracht. Beiden brengen ons als vanzelf bij doemdenken.

Doemdenken is het onmisbaar ingrediënt van de utopische logica: een generatie die zichzelf als verloren beschouwd en speelbal van de elementen ziet heden en nabije toekomst somber in. Tenzij … Utopia.

Utopisch doemdenken werkt op meerdere niveaus.

Allereerst drijft doemdenken morele verontwaardiging. De huidige samenleving heeft ‘nu eenmaal tal van weerzinwekkend bestempelde tekortkomingen die ogenblikkelijk recht gezet’ moeten worden.

Het utopische kernelement maakbaarheid versterkt die utopische verontwaardiging: het kán (veel) beter en dus móet het (heel veel) beter. Bijgevolg biedt doemdenken een rijke voedingsbodem voor het dwingende utopische verbeterprogramma.

Angst, vervolgens, levert de noodzakelijke ruimte aan het utopische schema, met de nadrukkelijke belofte dat na invoering daarvan wij allemaal de angst én, natuurlijk, de schaarste voorbij zullen zijn.

Doemdenken maakt Utopia dualistisch: de stralende toekomst van Utopia bestaat puur bij de gratie van het donkere dystopische heden.

Ik heb nog één belangrijke drijfveer van de utopie onbesproken gelaten. Deze blijft vrijwel altijd verborgen, onder de oppervlakte. Dat is niet zonder reden!

Dít kan niemand niet echt verbazen: diegenen die in onze samenleving willen omtoveren tot een Utopia worden gedreven door honger naar macht.

Voorbeelden te over. Melvin Lasky, in zijn Utopia and Revolution (1976), heeft bijvoorbeeld het volgende te melden over, nota bene, Thomas More (p. 11-12; nadruk toegevoegd):

“… This is what we have come to think of as the Orwellian component in political astigmatism [blurred distance and near vision]: absolute freedom means absolute control. …In Thomas More, too, there are these lingering mirror images of reality, this time inverted reflections of the anarchy and decadence which More must have found so estranging in his own society. He was not unaware of the phenomenon: the crack in the conception, the flaw in the vision. Recall his own touching confession of the temptation of power lust (in a letter to Erasmus, who had seen the manuscript of Utopia through the presses in Louvain). “You cannot think how elated I am,” he wrote, “how I have grown in stature and hold my head higher: so constantly do I imagine myself in the part of the sovereign of Utopia: in fact I fancy I am walking with the crown of corn ears upon my head, wearing a Franciscan cloak, and carrying the corn sheaf as a sceptre, attended by a great throng of people.””

Het is niet verbazingwekkend dat Eric Arthur Blair, beroemd geworden onder pseudoniem George Orwell (1903-1950), het volgende te zeggen heeft over de honger naar macht in zijn Wells, Hitler and the World State (nadruk toegevoegd):

“The people who have shown the best understanding of Fascism are either those who have suffered under it or those who have a Fascist streak in themselves.”

Schaarste, angst en macht. Het is een synergetische cocktail die de utopie diepgaand heeft gevormd sinds de 16de eeuw.

Daarmee bedoel ik dat het effect van de drievoudige utopische (onderhuidse) logica tezamen vele malen groter is dan de effecten van de afzonderlijke elementen.

De utopische dialectiek en het bijbehorende en hypnotiserend beklemmende doemdenken komen daar uit voort en maken al eeuwen deel uit van onze culturele vocabulaire.

Beiden hebben grote maatschappelijke consequenties die we in volgende blogposts verder zullen onderzoeken en uitwerken.

Eén consequentie van het utopisch gedachtegoed, met haar dystopisch dualistisch doemdenken (een ‘duistere’ alliteratie), die ik hier alvast wil benoemen is het wit/zwart of ook wel wij/zij denken en spreken.

Mijn blogposts Groepsdenken als schuilkelder van de geest en De autoriteit van drogredenen besteden daar al de nodige aandacht aan. Tijd om het in de juiste utopische context te plaatsen.

In de volgende blogpost gaan we verder …


© 2019. All rights reserved.