Wat wij achterlaten ...

Een ‘interessante’ periode voor mij, mijn familie en mijn zussen en hun families. Mijn ouders worden oud, zoals ik eerder besprak in deze blogpost. Het wordt steeds zichtbaarder dat het geheugen hen fors in de steek laat naast alle lichamelijke ongemakken die zij moeten doorstaan.

De plek waar ze al 24 jaar wonen kan niet meer functioneren als hun thuis. Dat is verdrietig en maakt hen boos. Met het verlies van het cognitieve, komen andere minder prettige gedragingen om de hoek kijken.

Paranoia, stemmingswisselingen, boosheid, onberekenbaarheid, besluiteloosheid zijn misschien wel het meest zichtbaar, en dat is pijnlijk voor hen en voor ons. Dat is hen niet aan te rekenen, maar roept wel de vraag op hoe daarmee om te gaan én of het te begrijpen is.

Om met het ‘makkelijkste’ te beginnen, het brein is natuurlijk dé plek waar verklaringen van dementie op gefocust zijn. Begrijpelijk. Het brein wordt als een soort supercomputer beschouwd die langzaam, of snel, stuk gaat.

Het ‘zijn van ons brein’ biedt schijnbaar voldoende ruimte om deze aftakeling te begrijpen en te verklaren. Het monistische perspectief op wie wij zijn domineert (mono - één).

Wij zijn, zo is de gedachte, uit één stuk: materie. Voelbaar, tastbaar, gevoelig voor aftakeling en sterfelijk. Uiteindelijk verdwijnen wij, zoals wij zijn verschenen, als sterrenstof.

En toch bevreemdt dit overbekende perspectief onmiddellijk. Meer dan dat: het is onbevredigend en, belangrijker, onzinnig.

Wij ‘zijn’ helemaal niet alleen materie, niet monistisch maar dualistisch (duaal - tweeledig). Wij zijn transcendente wezens en overstijgen de materie waaruit we bestaan. Traditioneel wordt dat transcendente omschreven als ziel, geest.

Dat kan ik wel beweren, maar waar baseer ik dat allemaal op? En belangrijker: helpt dit bij de omgang met mijn ouders?

De eerste vraag - Wat is de basis voor het idee dat de mens dualistisch van aard is?, naast de ontwijking van de tweede vraag, draait ten minste om twee zaken, namelijk:

  • Ons brein is geen computer (met software en hardware of iets dergelijks).
  • Ons denken (de ratio) is immaterieel.

Ik zal mij focussen op het eerste aspect, hoewel beiden met elkaar te maken hebben. Daarbij komt de filosoof John Searle heel erg van pas. Die heeft namelijk het artikel geschreven waarin deze vraag wordt beantwoord: Is the Brain a Digital Computer?

In het kort: het antwoord van Searle op de vraag of ons brein een computer is, is een ondubbelzinnig NEE! In een aantal vereenvoudigde stappen is de kern van Searle’s argument als volgt:

  • Berekeningen, routines op een computer, worden uitgevoerd met algoritmes die bestaan uit exact gedefinieerde regels en beginselen -machtsverheffen, delen, optellen, modus ponens, modus tollens (ha, zoek maar op!!), enzovoort, enzovoort.
  • Die regels en beginselen, de ‘grammatica’ van algoritmes, liggen niet besloten in de materialen waarvan computerchips zijn gemaakt -koper, silicium, kobalt, wolfraam, ijzer.
  • Dus: deze regels en beginselen zijn geen deel van de materie zelf waaruit de computer bestaat.
  • Regels en beginselen worden door óns toegekend aan materie: wij typen, schrijven, programmeren.
  • Preciezer: aan materie, in een bepaalde vorm, wordt betekenis toegekend waarmee wij met anderen betekenis delen: kennis, informatie, wijsheid, liefde, enzovoort.
  • Inktvormen op papier, lichtpatronen op een computerscherm (deze blogpost), gebeitelde figuren in steen (zie boven), lichtsignalen van een zaklamp, interpreteren wij stuk voor stuk als betekenisvol omdat wij aan al die uitingsvormen betekenis geven. Respectievelijk: letters op papier, een computerscherm, een steen, Morse code.
  • Mensen, wij dus, geven betekenis aan de wereld in taal, tekens, symbolen, figuren, enzovoort, in een veelheid van materiële vormen.

Nu komt Searle met zijn argument: als materie in zichzelf geen betekenis kan hebben, dan kúnnen onze hersenen zelf, als materie, geen betekenisvolle informatie voortbrengen.

En toch, en toch; wij geven betekenis aan de wereld omdat die wereld betekenisvol is!

Searle geeft een voorbeeld om dit verder uit te leggen. Wandelend door de natuur vinden we een boom die bij benadering de vorm van een stoel heeft.

Heeft de boom een stoel geproduceerd? Nee, uiteraard niet: de natuurlijke omstandigheden waarin de boom is gegroeid heeft helemaal geen stoel voortgebracht:

“Analogously, we might discover in nature objects which had the same sort of shape as chairs and which could therefore be used as chairs; but we could not discover objects in nature which were functioning as chairs, except relative to some agents who regarded them or used them as chairs.”

Wíj herkennen in de boom een stoelvorm, die we ook als zodanig zouden kunnen gebruiken (tenminste als die enig comfort biedt). C.S. Lewis, wie anders, legt deze kwestie zeer beeldend uit in zijn De Futilitate (nadruk toegevoegd):

“We are compelled to admit between the thoughts of a terrestrial astronomer and the behaviour of matter several light-years away that particular relation which we call truth. But this relation has no meaning at all if we try to make it exist between the matter of the star and the astronomer’s brain, considered as a lump of matter. The brain may be in all sorts of relations to the star no doubt: it is in a spatial relation, and a time relation, and a quantitative relation. But to talk of one bit of matter as being true about another bit of matter seems to me to be nonsense. …”

De ‘materiële relatie’ tussen onze astronoom en een door haar/hem bestudeerd hemellichaam kan op allerlei manieren worden beschreven: verschil in massa, chemische samenstelling en reactiviteit, temperatuur, omvang, enzovoort.

Maar dat het ‘ene stuk materie’ -de astronoom- waarheid kan ontdekken over dat andere stuk materie -de bestudeerde ster- maakt dat wij heel veel meer zijn dan materie.

Dat brengt mij terug bij mijn ouders en datgene wat zij, en ik straks misschien ook, achterlaten.

Datgene wat sommigen van ons, zoals mijn vader, in ouderdom achterlaten is het vermogen om werkelijk in contact te zijn met de buitenwereld: familie, vrienden, je vrouw, de kerkelijke gemeenschap.

Het steeds meer moeten leven in oude herinneringen, trauma’s zelfs die het alledaagse steeds meer overschaduwen, maken dat de chaotiserende binnenwereld van het ik afgesneden raakt van de buitenwereld.

Anders gezegd: het aftakelende brein maakt dat de ziel, de geest, of welke naam er ook gegeven kan worden aan datgene wat ons transcendent maakt, niet meer ordelijk kan functioneren in deze wereld.

Wat blijft dan als punt van contact tussen mij en mijn vader?

In ieder geval dit: dat hij niet verdwijnt als gevolg van zijn aftakelend brein. Er rest veel meer dan alleen zijn naam! Het is dus zoeken naar zijn ziel, het hart van zijn bestaan.

Dat is een ‘gevecht’ met vallen en opstaan. Het is luisteren, begrip tonen, kind zijn, vertrouwen schenken, met stevige hand richting geven, liefhebben, geduldig zijn.

Ik moet nog veel leren.


© 2019. All rights reserved.